11(3-4)

Het waarom van de Hell-telegrafie

Voor het seinen van berichten over de radio bestaan er diverse systemen. Het oudste, en onder moeilijke omstandigheden wellicht nog het betrouwbaarste, is het Morsen op het gehoor. De Morse-code is ook veel met automatische zenders en optekening op band gebruikt, vooral voor hoge snelheden. Hiervoor heeft Dr. Hell trouwens ook een bekend type ontvanger ontworpen. Als voor de hand liggend systeem kwam in de tweede plaats de zelfdrukkende telegrafie met de CCITT-2 code (nI. het telex-systeem) in aanmerking. Doch dit is een a-synchroon systeem dat met start- en stopimpulsen voor elke letter werkt. Bovendien is de code met zijn vijf impulsen helemaal niet redundant. Bijna alle combinaties hebben zelfs een dubbele betekenis, nI. een letter en een cijfer of teken. Wij kunnen hier niet op dit thema ingaan, maar willen vermelden dat dit systeem over de radio, althans op korte golf, zeer sterk aan storingen onderhevig is. Stoorimpulsen kunnen namelijk de startimpuls simuleren of de code vervalsen. Ook fading is gevaarlijk. Toch wordt het systeem zowel door persagentschappen als radio-amateurs en zelfs voor telegrafisch verkeer nog veel gebruikt. In dit verband moet worden gezegd dat in de jaren dertig en later, het gebrek aan stabiliteit van de radio-ontvangers nog een bijkomend nadeel was, dat het gebruik van de CCITT-2 code bemoeilijkte.

Daarom is men, vooral sedert 1950, overgegaan tot codes met grotere redundantie en synchrone overseining (zonder start-stop-impulsen). Technici zullen begrijpen dat hiervoor de tijd in 1930 nog lang niet rijp was. Een volkomen synchronisatie was over draadverbindingen in de 19de eeuw al door Baudot verwezenlijkt. Men gebruikte daarvoor als referentiesignaal het « fonisch rad ». Maar over de radio is het niet zo gemakkelijk. En de thans bestaande systemen met foutendetectie en verzoek tot herhaling (ARQ-systeem) zoals zij bijvoorbeeld voor verbindingen tussen het telexnet en de maritieme mobiele dienst (schepen) bestaan vereisen gecompliceerde circuits, die natuurlijk slechts dank zij de transistoren en de geïntegreerde circuits in een acceptabel volume onder te brengen zijn.

Anderzijds zijn ook systemen ontworpen, en nog in gebruik, die in plaats van seriële overseining van impulsen op de als het ware « parallele » overseining met verschillende frequenties voor de respectieve code-elementen berusten. (Weinig) bekend is het Belgische systeem van Coquelet, dat volgens de technische literatuur een hoge graad van immuniteit tegen storingen, bij een niet te breed uitgestraald frequentiespectrum, bereikt.

Doch nu komen wij tot Hell. Zijn systeem is, qua storings-immuniteit, te situeren vér boven de CCITT-2 code en bijna op de hoogte van de nieuwste systemen, voor zover het hiermee vergelijkbaar is. Inderdaad, het is helemaal verschillend. Maar wat belangrijker is (en vooral wás) : het is ongelooflijk simpel en als gevolg daarvan haast onverslijtbaar en niet te ontregelen. Met moet zich indenken hoe belangrijk dit destijds was voor het verspreiden van berichten onder de krantenredacties die over zo grote afstanden verspreid lagen ! Of hoeveel voordeliger het voor een leger was, niet van de gewone telexapparaten met hun tientallen bewegende, aan sleet onderhevige en nauwkeurig in te stellen onderdelen af te hangen.

Het originele Hell-systeem is quasi-synchroon. Dit wil zeggen, het gebruikt geen startimpuls, doch zendt de letters of cijfers in een vaste kadans. Nochtans hoeft de synchronisatie tussen zender en ontvanger niet absoluut te zijn, want dit wordt door een vernuftig, zij het primitief, truukje ondervangen. Vandaar : quasi-synchroom. Het zendt geen code-combinatie voor elk teken, maar integendeel een reeks impulsen die gewoon de volgens een rastervormig patroon ontlede vorm van het teken weergeeft. Eventuele stoorimpulsen worden dus wel op het papier van de ontvanger afgedrukt, maar kunnen, voor zover zij van niet te lange duur zijn, alleen maar een of een paar puntjes aan het mozaïekbeeld toevoegen. Vandaar dat de Hell-tekens leesbaar blijven, terwijl CCITT-2 tekens al door korte stoorimpulsen, zelfs door één enkele, onherroepelijk worden vervalst.

Voor het zenden van de tekens ging met uit van een wals, waarop voor de diverse tekens evenzovele contactrollen, of -paden, waren aangebracht, waarop de contactnokken, in serie afgetast, aan de diverse elementen van de mozaïek beantwoordden.

Als ontvangsmechanisme heeft men niets anders nodig als een ronddraaiende as, waarop een worm zonder eind met 6 mm spoed zit, en waartegen de snede van een elektromagneet overeenkomtig de ontvangen impulsen hamert. Daartussen schuift een papierband voorbij. De worm zonder eind wordt door een draaiend kussentje van stempelinkt voorzien. En klaar is kees. Geen ingewikkelde kies-mechanismen zoals in een telex en nog minder de ratelende, trage en energieopslorpende letter-stangen zoals bij de meeste telexmachines. Om nu het nadeel van gebrekkige synchronisatie te ondervangen had Hell het lumineuse idee, de worm zonder eind tweemaal rond de as te leggen, zodat op het bandje elk letterteken tweemaal boven elkaar verschijnt, waarbij dan altijd één volledig te lezen is ! Dus ook geen synchronisatie-mechanisme of -circuit. Een bevredigende stabilisatie van de ontvangstsnelheid volstaat. Het was dan ook mogelijk de op band schrijvende Hell-ontvanger voor de pers, zoals die lange tijd in talloze redacties heeft gestaan, in een bakelieten kastje ter grootte van een schoendoos onder te brengen, waarin dan nog een elektrische motor zat ! Voor de pers werkte men tegen 5 lettertekens per seconde. Het draagbare toestel, de Feldfernschreiber, was voor 2,5 per seconde ontworpen, omdat een hogere snelheid in de te verwachten werkomstandigheden vanwege de aan te houden vaste kadans voor de typist wat te moeilijk zou zijn geweest. Voorts was de Feldfernschreiber in beginsel identiek. Nog later kwam de firma met een Hell-Blattschreiber, ook een ontvanger voor de pers, op de proppen. Hierin was de worm door een achter het papierblad draaiende generfde cylinder vervangen en de hamerende beweging werd uitgevoerd door drie op een band zonder eind daaraan voorbij defilerende sneden, die de kloppende beweging indirect via een lat van twee elektromagneten ontvingen. Het toestel schreef maar één regel, want de synchronisatie werd door elektrische ontleding van de kandans der aankomende impulsen geregeld.

Nog later is er dan de GL-Hellschreiber gekomen. Deze was wél a-synchroon. D.w.z. het toestel staat, zoals een telex, in rust tussen de ene letter en de volgende en treedt voor elke nieuwe letter in werking doordat een voorafgaande startimpuls wordt gegeven. Het gebruik is gemakkelijker, want men hoeft niet in vaste kadans te schrijven, maar de storings-immuniteit gaat in zoverre verloren, als toch precies deze start-impuls door een radio-elektrische storing kan worden uitgelokt.

Tot slot dient nog te worden vermeld dat tot vermoedelijk 1975 nog een moderner toestel, de Hell-80, is gebouwd. Zulke apparaten zijn enkele jaren geleden in Duitsland in de surplus-handel opgedoken. Het betreft een draagbare machine, die naar keuze synchroon of asynchroon kon werken. De tekst kon bovendien op ponsband van het telex-type ingegeven worden. Dit model werkte niet in A-1-B (d.i. on-off) doch integendeel met frequentiemodulatie van een hulp-draaggolf (in audio), waardoor een nog grotere zekerheid in de ontvangst gewaarborgd werd. In het bijgevoegde schema zijn enkele technische gegevens vermeld. Ook dient er op te worden gewezen dat de tekens bij dit toestel in een geheugen van ferrietkernen waren opgeslagen.

Het is wellicht interessant bij dit alles aan te tekenen dat Hell blijkbaar veel hield van elektromechanische systemen. Zo heeft zijn fabriek o.a. een facsimile-zender-ontvanger gebouwd waarbij de ontvangst door middel van een door een elektromagneet bewogen stift gebeurde.

AI deze toestellen zijn kenmerkend voor een periode in de geschiedenis van de telecommunicaties, een tijdperk dat nu stilaan wel voorbij is en door dat van de vol-elektronische apparatuur is afgelost.

[1A la fin du livre se trouvent : un tableau chronologique des principaux épisodes de la vie de Darwin ; une chronologie du voyage sur le Beagle, une carte avec le tracé des expéditions terrestres de Darwin, l’arbre généalogique des familles Darwin, depuis Erasmus, et Wedgwood, depuis Josiah, ainsi qu’une bibliographie comprenant les œuvres de Darwin, des biographies et des études sur l’évolution en général.

[2Il faut citer une préface de 40 pages de J. Riera, qui se place dans le contexte du concept d’évolution et en retrace l’histoire. On y trouve également quelques indications sur D. Papp et sur ce livre.

[3L’année 1982 a vu la célébration du centenaire de la mort de Darwin ; il n’est pas inutile de souligner que l’ouvrage a paru en 1983.



















info visites 158493

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française