9(1)suite

Al vrij vlug ontstond in de Angelsaksische landen het besef dat als garantie voor het behoud naar een al dan niet nieuwe functie moest gezocht worden. Het industrieel-archeologisch patrimonium kan immers na restauratie en (of) renovatie een ruimere betekenis krijgen voor alternatief hergebruik.

Beide manieren van aanpak, restauratie en renovatie bezitten hun eigen implicaties.

Restauratie met eerbied voor vroeger materiaal, structuur en techniek is mogelijk wanneer het gebouwenbestand nog aan zijn functie voldoet en mits een beperkt aantal ingrepen de huidige technische ontwikkeling kan volgen, zoals bijvoorbeeld o.a. watermolens, stokerijen en brouwerijen, kleinschalige bedrijven uit de agro-industriële sector. Restauratie is tevens een voor de hand liggende keuze indien het industriële pand een zeldzaamheidswaarde heeft, en een industrieel-archeologisch monument vormt. Dan wordt de mogelijkheid geboden een « levend » museum uit te bouwen waar aan de bezoeker de mogelijkheid geboden wordt het vroegere produktieproces mee te « beleven ». Dit biedt tevens de mogelijkheid restauratie- en uitbatingskosten (ten dele) te recupereren. In de Angelsaksische wereld is dit een formule die veel aanhang vindt bij de talrijke stichtingen begaan met het behoud en de exploitatie van het industrieel erfgoed.

Renovatie daarentegen stelt zich op de eerste plaats wanneer het complex of pand een belangrijke beeldbepalende en stedebouwkundige waarde heeft. Enerzijds kan dan door een herwaardering en aanpassing van de vroegere functie het geheel een nieuwe dimensie krijgen, anderzijds kan door een aantal bouwkundige ingrepen het geheel een totaal nieuwe functie krijgen en bijdragen tot de her- en opwaardering van het pand en zijn omgeving.

Met de groeitentoonstelling over het hergebruik van industriële panden, sinds februari door de VVIA (Vlaamse Vereniging voor Industriele Archeologie Vlaanderen-Brussel) georganiseerd onder de titel « Industriële Archeologie-renovaties », wil deze overkoepelende Vlaamse Vereniging deze ontwikkeling stimuleren, via de tentoonstelling van een aantal projecten en reeds voltooide realisaties.

Vooral in dit opzicht is er ten opzichte van het buitenland (vooral Engeland en de oostkust van de V.S.A.) heel wat achterstand op te halen. In het kader van de door de overheid gelanceerde campagne voor stads- en dorpsrenovatie zou zeker de lokale overheid door pilootstudies en -projecten een belangrijke stimulerende rol kunnen spelen door betoelaging én bij aankoop én bij renovatie ter beschikking te stellen.

Zoals aangegeven in de voormelde VVIA-brochure « is een der meest zinvolle alternatieven voor industriële panden, het verzekeren van hun voortbestaan als produktie-entiteit en de uitbouw van bedrijf tot bedrijvencentrum ».

Een andere mogelijkheid tot behoud is het zoeken naar alternatieven, of het voorstel van een gemengde functie waar wonen, werk, en ontspanning een onderkomen vinden.

Van deze « Adaptive reuse » bestaan een aantal geslaagde realisaties te Lowell, Massachussets, U.S.A., waar een aantal oude textielfabrieken een dergelijke metamorfose doormaakten [46] [47].

Ondanks een aantal remmende factoren zoals de lokalisatie van het complex, een soms nadelige kosten-batenanalyse, de omvang of structuur van het complex en de constructie, worden we voor de keuze gesteld om aan het geheel een zinvolle bestemming te geven of daarentegen te slopen en te vernietigen. Slechts een beperkt aantal zinvolle realisaties ontgroeiden het projectstadium zoals het Rijkscentrum Hoger Kunstonderwijs te Etterbeek (een gerenoveerde drukkerij), de Brouwerij te Bekkerzeel, het Provinciaal museum voor Moderne Kunst te Oostende (een voormalig grootwarenhuis). Het is duidelijk dat vooral de lokale overheid hier haar verantwoordelijkheid niet zou mogen ontlopen zodat het privé-initiatief een extrastimulans zou krijgen. (cfr. U.S.A).

Voor wat betreft de cultuur-conserverings politiek lijkt de laatste jaren de lokale overheid een aantal eerste stappen ondernomen te hebben. Enkele belangwekkende projecten werden gerealiseerd, andere zijn in uitvoering : het Museum voor Oude Technieken te Grimbergen, het Hopmuseum te Poperinge, het Vlasmuseum te Kortrijk, het Jenevermuseum te Hasselt. Andere projecten die op stapel stonden bleken niet gerealiseerd : zo zijn in Gent blijkbaar alle kansen verkeken om ooit het Textielmuseum in een oude spinnerij onder te brengen.

Ook het bedrijfsleven nam een eerste initiatief : het Brouwerijmuseum Martens te Bocholt. Terwijl een aantal stichtingen in de juridische vorm van V.z.w., zich niet alleen tot één konkreet gebouw alleen beperkten : de v.z.w. Molenzorg in Limburg, het Ecomuseum en Archief van de Boomse Baksteen in de Rupelstreek. Vooral voor het type « levens museum » lijkt een grote toekomst weggelegd omwille van zijn didaktische waarde ; het kan als archief en documentatiecentrum een belangrijke aanvulling worden naar het huidige bedrijfsleven toe, en bezit tevens de mogelijkheid om naar het hinterland toe als een soort « decentraliserend moedermuseum » te evolueren om andere projecten te helpen valoriseren en te animeren, en zich niet als een exemplarisch thematisch museum, tot een « egoïstische » collectievorming te beperken.

Op hun manier kunnen deze gedecentraliseerde projecten een nieuw elan geven aan een zich heroriënterend toeristisch beleid waarbij, zoals aangetoond in het V.V.I.A.-rapport, het industrieel-archeologisch aanbod een grote leemte kan opvullen.

[1On peut cependant considérer comme dignes d’étude et de conservation certains bâtiments administratifs particuliers, comme par exemple un bureau de postes.

[2Par exemple, et pour se limiter au domaine français :
E. Carles, Une soupe aux herbes sauvages, s.l., 1977 ; A. Sylvère, Toinou, le cri d’un enfant auvergnat, Paris, 1980 réécrit par J. Malourie. Dans un autre registre, M. Gray, Au nom de tous les miens, Paris, 1971 réécrit par Max Gallo ou P.J. Helias, Le Cheval d’orgueil, mémoires d’un Breton du pays bigouden, Paris, 1975.

[3cf. l’excellente introduction à la problématique de l’histoire orale de J.P. Rioux, Histoire orale : essor, problèmes et enjeux, dans Cahiers de Clio, 75-76, 1983, pp. 29-48, parue dans un numéro thématique consacré à l’histoire orale appliquée à l’enseignement ; R. Thompson, Historiens et histoire orale dans Mémoires collectives. Actes du Colloque d’octobre 1982, Bruxelles, 1984 pp. 281-295. Voir aussi l’exposé systématique de J. Poirier, S. Clapier-Valladon, P. Raybaut, Les récits de vie. Théorie et Pratique, Paris, 1983 ainsi que H. Gaus, B. De Graeve, F. Simon, A. Verbruggen-Aelterman, Alledaagsheid en mondelinge geschiedenis, Gent, 1983.

[4Citons ici quelques ouvrages-cadres pour l’interprétation de la mémoire orale : M. Halbweghs, Les cadres sociaux de la mémoire, Paris, 1975 (réed.) ; A. Leroy-Gourhan, Le geste et la parole, 2 vol. Paris, 1965 ; P. Bourdieu, Ce que parler veut dire, Paris 1982 R. Thompson, The voice of the past, Oxford, 1978. Voir aussi divers textes édités dans Mémoires Collectives, Actes ... op. cit. P. Charaudeau Langage et discours. Paris 1983.

[5Par exemple, en Belgique, les réalisations du laboratoire Paul Brien d’Etude de l’Environnement à Treignes (ULB) et du Musée de la Pierre à Maffle (cf. Mémoires collectives, op. cit., et Cahiers de Clio, op. cit.).

[6C. Billen, Le portrait du patron, texte présenté au Ve Congrès international d’histoire orale à Barcelone, 1985.
Voir aussi D. Voldman, Entretiens avec les reconstructeurs, Contribution à l’étude d’un groupe de décideurs (France 1940-1950), Documents du Congrès cité ci-dessus, pp. 497-504 ; A. Pinol, Transformation du travail et histoire orale. L’exemple de la rationalisation aux usines Berliet pendant l’entre-deux-guerres, 4e Colloque International d’histoire orale, Aix en Provence, 1982, pp. 507-519.

[7 Moniteur belge du 31 décembre 1980.

[8Moniteur belge du 15 août 1980.

[9Moniteur belge du 5 septembre 1931.

[10Moniteur belge du 10 septembre 1976.

[11 Arrêté du 7 août 1976.

[12Arrêté du 30 juin 1982.

[13Arrêté du 14 mars 1979.

[14Arrêté du 16 octobre 1975, avec extension le 7 juillet 1976.

[15 Arrêté du 17 avril 1980.

[16Arrêté du 24 mars 1978.

[17Arrêté du 1er juin 1978.

[18Arrêté du 7 novembre 1978.

[19 Arrêté du 13 octobre 1980.

[20Arrêté du 30 juin 1982.

[21Arrêté du 20 mai 1983.

[22Cet article doit beaucoup à celui qui a été publié par Mme Ghislaine De Bièvre, Directeur de l’Administration du Patrimoine culturel dans le n° 1 (4ème trimestre 1984) de Patrimoine Industriel (Bulletin trimestriel de l’A.S.B.L. « Patrimoine industriel Wallonie-Bruxelles ») pp 8-9, sous le titre « Activités de la Communauté française en matière d’archéologie industrielle ».

[23De wet van 7.8.1931 op he ! behoud van monumenten en landschappen bepaalde het behoud van wat in historisch, artistiek of wetenschappelijk opzicht van nationaal belang was. Het decreet van 1976 kadert in deze wet, die geldig blijft voor de Brusselse Agglomeratie en voor de bescherming van landschappen.

[24In 1972 wordt de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg (R.M.L.Z.) opgericht.
Deze dienst wordt operationeel vanaf 1973.
De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen - Nederlandstalige Sectie - stelt zich onmiddellijk positief op tegenover de industrieel-archeologische beschermingsvoorstellen van de R.M.L.Z. In 1983 wordt de R.M.L.Z. in de Vlaamse Administratie opgenomen onder de benaming : Bestuur Monumenten en Landschappen (B.M.L.). Het B.M.L. bezit een « afdeling industrieel erfgoed », opgericht in 1977.

[25Het industrieel erfgoed wordt systematisch opgenomen in de inventarissen « Bouwen door de eeuwen heen, in Vlaanderen », uitgegeven door het Ministerie van Cultuur.
Het samenstellen van gedetailleerde tematische inventarissen per bedrijfstak, zou echter de evaluatie van het industrieel erfgoed in hoge mate vergemakkelijken.

[26De subsidiëring gaat van 30/50 % (privé-initiatief) tot 60 % (overheidsinitiatief). Het Besluit van 30.3.83 bepaalt de erkennings- en betoelagingsmodaliteiten voor herwaarderingsgebieden.

[27De subsidiëring wordt geregeld door het « decreet houdende de bekrachtiging van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982 tot bepaling voor het Nederlandse taalgebied van de verdeling der kosten voor werken aan beschermde monumenten dd. 17.11.1982 ».

[28Besluit van de Vlaamse Executieve dd. 27.3.85 (ter vervanging van het Min. Besluit van 21.10.80).
Uitzonderlijk kan deze som tot 2.000.000 F opgetrokken worden.

[29Zie hierover : Witboek van het Cultureel Onroerend erfgoed, Koning Boudewijnstichting, Brussel 1981, pp. 37 e.v.

[30Wet van 29.3.1962 houdende organisatie van de Ruimtelijke Ordening.
- Koninklijk Sesluit betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen van 28.12.1972.

[31Zie hierover : Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming (ARAB), Titel I.

[32Deze gevallen kunnen bijvoorbeeld op advies van het Bestuur Monumenten en Landschappen worden aangeduid.

[33Hiervan bestaan er spontane voorbeelden zoals : SANTENS N.V., Watermolenweg 2-4 te Oudenaarde, gevestigd in een textielfabriek van rond 1900

[34Zie hierover J. Verhelst, De archiefwet en haar uitvoering, in : Monumenten en Landschappen, 2e jg. nr. 6 nov.-dec. 1983.

[35Over Europese regelingen kunnen wij het vooralsnog nog niet hebben. Dit valt buiten het bestek van dit artikel.
Wel willen wij verwijzen naar de regelingen in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling : bepaalde tewerkstellingsprojecten kunnen hiermee gesubsidieerd worden, wat voor het industrieel erfgoed een laterale steun kan betekenen. Waarom zouden aldus projecten, die oudere of ambachtelijke technieken op economische basis toepassen, niet kunnen gepromoveerd worden ?
Ook hiermee is de industriële archeologie uiteraard gebaat.

[36Comité d’Information et de Liaison pour l’Archéologie, l’Etude et la Mise en valeur du Patrimoine industriel, 48, rue Saint-Lambert, F-75015 Paris.

[37Voir ci-dessus : Jacques Liébin, Le patrimoine immobilier.

[38Bois-du-Luc 1685-1985, Ecomusée régional du Centre, La Louvière, 1985, 180 pages.

[39Rue de la Colonne, 1 à 1080 Bruxelles.

[40Au Bois-du-Luc, un Centre de Recherche en Fonderie a été installé dans l’ancienne fonderie du charbonnage.

[41
La rénovation des Carrés du Bois-du-Luc, malgré sa lenteur, nous paraît un bon exemple de réhabilitation d’un habitat ouvrier ancien (1838-1853).

[42Ecomusée de Fourmies-Trélon (France), rue François Deleplace, F-5910 Fourmies.

[43Linters A. ea. Industriële Archeologie-Renovaties, Gent 1985.

[44 Kidney W.C. Tamera Stichting vzw. mededelingsblad nr. 1 jrg. 1 p. 3-14, Hasselt 1974.

[45 Wissels R., Een industrieel-archeologisch museum te Hasselt in Hasselt tussen korrel en
borrel Hasselt, 1981, p. 79-84.

[46Kidney W.C. Working Places. The adaptive use of industrial buildings ; 1976.

[47 Kidney W.C. Historic preservation of engineering works, New York 1978.

[48Alfons Thijs, Industrial archaeology as a branch of the study of the history of material culture, some theoretical and methodological considerations, dans Revue Belge d’Histoire Contemporaine, t. VI, 1975, 1-2, pp. 145-157.
J. Pazdur, L’histoire de la culture matérielle en Pologne, dans Annales, Economies, Sociétés, Civilisations, t. 17, 1962, pp. 75-84.

[49J. Liébin, Le site industriel du Bois-du-Luc, base de l’Ecomusée régional du Centre, dans Bois-du-Luc 1685-1985, La Louvière, 1985, pp. 127-129 (la notion d’Ecomusée).

[50The Institute of Industrial Archaeology. Master’s and diploma courses, Ironbridge Gorge Museum, Ironbridge, Telford, Shropshire TF8 7AW, U.K,

[51T. O’Driscoll. Tourisme et patrimoine. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 3-4.
H. Behague. Itinéraires pour découvrir le patrimoine industriel. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 14-15.

[52 M. Kosters. Focus op toerisme. ’s Gravenhage, 1981, p. 4-13.

[53Ons industrieel erfgoed. Jaarboek Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie, dl 1, Gent, 1982, p. 28.



















info visites 186101

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française