9(1)suite

Hierbij nemen wij aan dat de overheid met de nodige middelen over de brug komt.

Een andere en soms even opportune mogelijkheid wordt geboden door de toepassing van het decreet op het roerend cultureel patrimonium van 1982
(zie hoger).

Bij bescherming in situ blijven de archieven immers onder het (bij wet geregeld) beheer van de eigenaar in kwestie.

Het kan, in het kader van een cultureel project, inderdaad wenselijk zijn dat bepaalde archieven ter plaatse behouden blijven.

Particuliere en gemeenschapsbelangen zijn dan weer eens verzoend.

10. Het industrieel erfgoed en de wetgeving op de musea

Volledigheidshalve moeten wij ook de museum-wetgeving vermelden hoewel dit aspect elders in dit Witboek uitvoeriger ter sprake komt.

Laat ons volstaan met te vermelden dat de huidige wetgeving (K.B. 22.4.1958) slechts toelaat subsidies toe te kennen aan musea die niet van de Staat afhangen en die betrekkingen hebben op kunsten of letteren.

Technische of industrieel-archeologische musea vallen dus uit de boot.
Wat het Vlaamse Gewest betreft is er wel een nieuw decreet in de maak. Het industrieel-erfgoed worden hierin wel als volwaardig beschouwd. Onnodig te vermelden dat ook hier de overheid te weinig kredieten voorziet.

11. Bijkomende mogelijkheid op betoelaging [35]

a. Het Regentsbesluit van 2 juli 1949 bepaalt de staatstussenkomst inzake toelagen voor het uitvoeren van werken door provincies, gemeente, verenigingen van gemeenten, commissies van openbare onderstand (thans OCMW), kerkfabrieken en verenigingen van polders of van wateringen.

De werken die voor subsidiëring in aanmerking komen, zijn o.a. : Culturele- en sportinfrastructuurwerken.
Zowel de aankoop als de aanpassingswerken met het oog op de inrichting van openbare bibliotheken, culturele centra, jeugdtehuizen, schouwburgen en musea kunnen voor 60 % van het totale bedrag worden gesubsidieerd en dit door de Vlaamse Gemeenschap na 8.8.1980 (bijzondere wet tot hervorming der instellingen).
Hierin zitten dus ook mogelijkheden, wanneer een industrieel gebouw tot een van de voormelde bestemmingen wordt uitgebouwd.
b. Hetzelfde regentsbesluit bepaalt dat ook de aanleg en de geschiktmaking van groene ruimten voor 65 % van het total bedrag kan gesubsidieerd worden. Dit slaat dus ook op de inrichting van fabrieksterreinen in openbaar bezit.

Ook hier moeten wij tot onze spijt vaststellen dat de budgetten werden ingekrompen, hoewel in tijden van crisis het openbaar welzijn uiteindelijk beter dient te worden gecompenseerd dan voorheen.

Besluit

Uit het hierboven geschetste beeld kan men afleiden dat wij over een vrij volledig arsenaal aan wetten, decreten en instellingen beschikken. Toch zijn de resultaten voor wat het behoud van het industrieel erfgoed betreft, niet zo denderend.

Ten eerste moeten wij helaas vaststellen dat het belang van de cultuursector nog altijd schromelijk onderschat wordt, zowel door de overheid als door de particuliere sector. Dit uit zich in een tekort aan financiële middelen en aan mankracht. Zo ook wat het industrieel erfgoed aangaat. De overheid moet, in samenspraak met de particuliere sector méér middelen vrij maken en het behoud van het industrieel erfgoed, zowel via rechtstreekse subsidiëring als via fiscale faciliteiten, stimuleren.

Ten tweede kan de cultuursector zich moeilijk uit zijn geïsoleerde positie loswerken. Cultuur wordt nog te veel als een elitair en marginaal fenomeen beschouwd, los van het alledaags welzijn en van de « belangrijkere » sociale, economische en technologische actieterreinen.

Dit heeft voor gevolg dat beslommeringen van strikt culturele aard buiten de cultuursector geen rol spelen, zoals wij bijvoorbeeld bij de studie van de economische overheidsmaatregelen kunnen vaststellen.

Betrekkelijk kleine aanpassingen in de bestaande wetten en de institutionalisering van uitgesproken samenwerkingsverbanden tussen de verschillende diensten en andere instanties kunnen de gewenste integratie van de verschillende sectoren, waaronder de cultuursector, bevorderen.

Wij zijn er ons echter van bewust dat één en ander een mentaliteitsverandering bij alle betrokkenen zal noodzaken. Recente ontwikkelingen wijzen ten andere reeds in die richting. Tenslotte zou het aantal rangschikkingen moeten kunnen opgevoerd worden.

Hiertoe moeten eveneens de nodige middelen ter beschikking gesteld worden, zowel financieel als op het vlak van het personeelsbestand. Zo zou het oprichten van een leningfonds (goedkope leningen) de aankoop door initiatiefwillige particulieren van gerangschikte of te rangschikken industriële monumenten stimuleren en aldus de rangschikkingsprocedures zelf bevorderen.

Bibliografie
- De Schepper J., Van molenbezorgdheid tot molenzorg, in : Levende Molens, 2de jg., nr. 2 en ibidem, 2de jg., nr. 3 (1979).
- Idem, Die mooie molen bedreigd, in : Open Deur, 1978, nr. 4-5.
- Idem, Herstel en restauratie van wind- en watermolens, in : Bouwkundig Erfgoed
in Vlaanderen, nr. 57, maart 1980.
- Idem, De Frans-Belgische Moeren : enkele gegevens aangaande de windgemalen, in : Monumenten en Landschappen, 1ste jg., nr. 3, maart 1982.
- Idem, Algemene molenzorg in Vlaanderen, referaat in : Kultureel Jaarboek 1980, Provincie Oost-Vlaanderen.
- Idem, The care of windmills in FLanders : outlines of an energetic management.
Faith and Reality
. Gent, VVIA Publishing 1984.
- Bauters Paul, Eeuwen onder wind en wolken ; windmolens in Oost-Vlaanderen, Gent 1985.

[1On peut cependant considérer comme dignes d’étude et de conservation certains bâtiments administratifs particuliers, comme par exemple un bureau de postes.

[2Par exemple, et pour se limiter au domaine français :
E. Carles, Une soupe aux herbes sauvages, s.l., 1977 ; A. Sylvère, Toinou, le cri d’un enfant auvergnat, Paris, 1980 réécrit par J. Malourie. Dans un autre registre, M. Gray, Au nom de tous les miens, Paris, 1971 réécrit par Max Gallo ou P.J. Helias, Le Cheval d’orgueil, mémoires d’un Breton du pays bigouden, Paris, 1975.

[3cf. l’excellente introduction à la problématique de l’histoire orale de J.P. Rioux, Histoire orale : essor, problèmes et enjeux, dans Cahiers de Clio, 75-76, 1983, pp. 29-48, parue dans un numéro thématique consacré à l’histoire orale appliquée à l’enseignement ; R. Thompson, Historiens et histoire orale dans Mémoires collectives. Actes du Colloque d’octobre 1982, Bruxelles, 1984 pp. 281-295. Voir aussi l’exposé systématique de J. Poirier, S. Clapier-Valladon, P. Raybaut, Les récits de vie. Théorie et Pratique, Paris, 1983 ainsi que H. Gaus, B. De Graeve, F. Simon, A. Verbruggen-Aelterman, Alledaagsheid en mondelinge geschiedenis, Gent, 1983.

[4Citons ici quelques ouvrages-cadres pour l’interprétation de la mémoire orale : M. Halbweghs, Les cadres sociaux de la mémoire, Paris, 1975 (réed.) ; A. Leroy-Gourhan, Le geste et la parole, 2 vol. Paris, 1965 ; P. Bourdieu, Ce que parler veut dire, Paris 1982 R. Thompson, The voice of the past, Oxford, 1978. Voir aussi divers textes édités dans Mémoires Collectives, Actes ... op. cit. P. Charaudeau Langage et discours. Paris 1983.

[5Par exemple, en Belgique, les réalisations du laboratoire Paul Brien d’Etude de l’Environnement à Treignes (ULB) et du Musée de la Pierre à Maffle (cf. Mémoires collectives, op. cit., et Cahiers de Clio, op. cit.).

[6C. Billen, Le portrait du patron, texte présenté au Ve Congrès international d’histoire orale à Barcelone, 1985.
Voir aussi D. Voldman, Entretiens avec les reconstructeurs, Contribution à l’étude d’un groupe de décideurs (France 1940-1950), Documents du Congrès cité ci-dessus, pp. 497-504 ; A. Pinol, Transformation du travail et histoire orale. L’exemple de la rationalisation aux usines Berliet pendant l’entre-deux-guerres, 4e Colloque International d’histoire orale, Aix en Provence, 1982, pp. 507-519.

[7 Moniteur belge du 31 décembre 1980.

[8Moniteur belge du 15 août 1980.

[9Moniteur belge du 5 septembre 1931.

[10Moniteur belge du 10 septembre 1976.

[11 Arrêté du 7 août 1976.

[12Arrêté du 30 juin 1982.

[13Arrêté du 14 mars 1979.

[14Arrêté du 16 octobre 1975, avec extension le 7 juillet 1976.

[15 Arrêté du 17 avril 1980.

[16Arrêté du 24 mars 1978.

[17Arrêté du 1er juin 1978.

[18Arrêté du 7 novembre 1978.

[19 Arrêté du 13 octobre 1980.

[20Arrêté du 30 juin 1982.

[21Arrêté du 20 mai 1983.

[22Cet article doit beaucoup à celui qui a été publié par Mme Ghislaine De Bièvre, Directeur de l’Administration du Patrimoine culturel dans le n° 1 (4ème trimestre 1984) de Patrimoine Industriel (Bulletin trimestriel de l’A.S.B.L. « Patrimoine industriel Wallonie-Bruxelles ») pp 8-9, sous le titre « Activités de la Communauté française en matière d’archéologie industrielle ».

[23De wet van 7.8.1931 op he ! behoud van monumenten en landschappen bepaalde het behoud van wat in historisch, artistiek of wetenschappelijk opzicht van nationaal belang was. Het decreet van 1976 kadert in deze wet, die geldig blijft voor de Brusselse Agglomeratie en voor de bescherming van landschappen.

[24In 1972 wordt de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg (R.M.L.Z.) opgericht.
Deze dienst wordt operationeel vanaf 1973.
De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen - Nederlandstalige Sectie - stelt zich onmiddellijk positief op tegenover de industrieel-archeologische beschermingsvoorstellen van de R.M.L.Z. In 1983 wordt de R.M.L.Z. in de Vlaamse Administratie opgenomen onder de benaming : Bestuur Monumenten en Landschappen (B.M.L.). Het B.M.L. bezit een « afdeling industrieel erfgoed », opgericht in 1977.

[25Het industrieel erfgoed wordt systematisch opgenomen in de inventarissen « Bouwen door de eeuwen heen, in Vlaanderen », uitgegeven door het Ministerie van Cultuur.
Het samenstellen van gedetailleerde tematische inventarissen per bedrijfstak, zou echter de evaluatie van het industrieel erfgoed in hoge mate vergemakkelijken.

[26De subsidiëring gaat van 30/50 % (privé-initiatief) tot 60 % (overheidsinitiatief). Het Besluit van 30.3.83 bepaalt de erkennings- en betoelagingsmodaliteiten voor herwaarderingsgebieden.

[27De subsidiëring wordt geregeld door het « decreet houdende de bekrachtiging van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982 tot bepaling voor het Nederlandse taalgebied van de verdeling der kosten voor werken aan beschermde monumenten dd. 17.11.1982 ».

[28Besluit van de Vlaamse Executieve dd. 27.3.85 (ter vervanging van het Min. Besluit van 21.10.80).
Uitzonderlijk kan deze som tot 2.000.000 F opgetrokken worden.

[29Zie hierover : Witboek van het Cultureel Onroerend erfgoed, Koning Boudewijnstichting, Brussel 1981, pp. 37 e.v.

[30Wet van 29.3.1962 houdende organisatie van de Ruimtelijke Ordening.
- Koninklijk Sesluit betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen van 28.12.1972.

[31Zie hierover : Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming (ARAB), Titel I.

[32Deze gevallen kunnen bijvoorbeeld op advies van het Bestuur Monumenten en Landschappen worden aangeduid.

[33Hiervan bestaan er spontane voorbeelden zoals : SANTENS N.V., Watermolenweg 2-4 te Oudenaarde, gevestigd in een textielfabriek van rond 1900

[34Zie hierover J. Verhelst, De archiefwet en haar uitvoering, in : Monumenten en Landschappen, 2e jg. nr. 6 nov.-dec. 1983.

[35Over Europese regelingen kunnen wij het vooralsnog nog niet hebben. Dit valt buiten het bestek van dit artikel.
Wel willen wij verwijzen naar de regelingen in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling : bepaalde tewerkstellingsprojecten kunnen hiermee gesubsidieerd worden, wat voor het industrieel erfgoed een laterale steun kan betekenen. Waarom zouden aldus projecten, die oudere of ambachtelijke technieken op economische basis toepassen, niet kunnen gepromoveerd worden ?
Ook hiermee is de industriële archeologie uiteraard gebaat.

[36Comité d’Information et de Liaison pour l’Archéologie, l’Etude et la Mise en valeur du Patrimoine industriel, 48, rue Saint-Lambert, F-75015 Paris.

[37Voir ci-dessus : Jacques Liébin, Le patrimoine immobilier.

[38Bois-du-Luc 1685-1985, Ecomusée régional du Centre, La Louvière, 1985, 180 pages.

[39Rue de la Colonne, 1 à 1080 Bruxelles.

[40Au Bois-du-Luc, un Centre de Recherche en Fonderie a été installé dans l’ancienne fonderie du charbonnage.

[41
La rénovation des Carrés du Bois-du-Luc, malgré sa lenteur, nous paraît un bon exemple de réhabilitation d’un habitat ouvrier ancien (1838-1853).

[42Ecomusée de Fourmies-Trélon (France), rue François Deleplace, F-5910 Fourmies.

[43Linters A. ea. Industriële Archeologie-Renovaties, Gent 1985.

[44 Kidney W.C. Tamera Stichting vzw. mededelingsblad nr. 1 jrg. 1 p. 3-14, Hasselt 1974.

[45 Wissels R., Een industrieel-archeologisch museum te Hasselt in Hasselt tussen korrel en
borrel Hasselt, 1981, p. 79-84.

[46Kidney W.C. Working Places. The adaptive use of industrial buildings ; 1976.

[47 Kidney W.C. Historic preservation of engineering works, New York 1978.

[48Alfons Thijs, Industrial archaeology as a branch of the study of the history of material culture, some theoretical and methodological considerations, dans Revue Belge d’Histoire Contemporaine, t. VI, 1975, 1-2, pp. 145-157.
J. Pazdur, L’histoire de la culture matérielle en Pologne, dans Annales, Economies, Sociétés, Civilisations, t. 17, 1962, pp. 75-84.

[49J. Liébin, Le site industriel du Bois-du-Luc, base de l’Ecomusée régional du Centre, dans Bois-du-Luc 1685-1985, La Louvière, 1985, pp. 127-129 (la notion d’Ecomusée).

[50The Institute of Industrial Archaeology. Master’s and diploma courses, Ironbridge Gorge Museum, Ironbridge, Telford, Shropshire TF8 7AW, U.K,

[51T. O’Driscoll. Tourisme et patrimoine. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 3-4.
H. Behague. Itinéraires pour découvrir le patrimoine industriel. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 14-15.

[52 M. Kosters. Focus op toerisme. ’s Gravenhage, 1981, p. 4-13.

[53Ons industrieel erfgoed. Jaarboek Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie, dl 1, Gent, 1982, p. 28.



















info visites 181237

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française