9(1)suite

Hoewel bij het stemmen van dit decreet (uiteraard) niet in het minst aan het industrieel erfgoed werd gedacht, kan dit laatste nochtans hieruit voordelen halen, en dit in het licht van wat wij hiervóór reeds schreven.

Dit zgn. « mini-decreet » staat toe dat ver- of herbouwen of uitbreiding van bestaande gebouwen gunstig worden geadviseerd, óók waar het een afwijking van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan betreft.

Een bedrijfsgebouw mag daarenboven een volume vermeerdering van 100 % van het bestaande volume ondergaan.

Dit zou de bedrijfsleiders ertoe kunnen aanzetten om hun bedrijven die toevallig ook een industrieel-archeologische waarde bezitten, niet te verlaten en er zelfs nieuwe bestemmingen voor uit te denken. Enig controlemiddel om na te gaan hoe waardevolle gebouwen worden verbouwd ontbreekt in deze regeling echter. Het behoud van een eventuele industrieel-archeologische waarde is dus niet verzekerd.

Wij stellen bijgevolg voor dat op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap, dergelijke dossiers niet enkel door het Bestuur Ruimtelijke Ordening, maar ook door het B.M.L beoordeeld worden.

Dit moet gemakkelijk te regelen zijn, daar beide Besturen van eenzelfde administratie deel uitmaken.

Laten wij ook hopen dat de belangen van de industriële archeologie en ecologische doelstellingen dan niet met elkaar in conflict komen.

8. Wat met het « Fonds voor Industriële Vernieuwing » ?

Bij K.B. van 15.12.1978 werd in de oprichting voorzien van een « Fonds voor Industriële Vernieuwing ».

Het vond zijn oorsprong in het herstructureringsplan, dat in die periode voor de staalnijverheid uitgewerkt werd.

Onder druk van een aantal omstandigheden, budgettaire en Europese, werd het F.I.V. op 29.12.1982 bij volmachtsbesluit bevroren om bij K.B. van 10.10.1984 onder een nieuwe vorm weer te verrijzen.

Het « nieuwe F.I.V. » heeft volgende opdrachten :

  1. deelname in de financiering van reconversieprojecten in de reconversiezones Limburg, arrondissementen leper, Veurne en Diksmuide. Het reconversieproject moet bijdragen tot de industriële reconversie door middel van investeringen in materiële vaste activa voor o.a. de ontwikkeling van nieuwe producten en technologieën.
    Ook wordt een verbeterde bescherming van het leefmilieu, vernieuwing en verbreding van het industrieel weefsel binnen de betrokken zone beoogd. De voorziene stimuleringsmaatregelen bestaan in : ofwel een kapitaalinbreng van de overheid ofwel fiscale voordelen :
  2. tussenkomst in de financiering van projecten die door de openbare investeringsmaatschappijen worden aangepakt ;
  3. de mogelijkheid dat de gewesten projecten via een « super-saldo » extra steunen, weliswaar enkel voor de aangelegenheden waarvoor de gewesten krachtens de bijzondere wet van 8 augustus 1980 « tot de hervorming van de instellingen », bevoegd zijn.

Het nieuwe F.I.V. heeft vooral economische bekommernissen op het oog, maar is in mindere mate ook uit verbetering van het welzijn (leefmilieu).

Beschikken wij hier over een geschikte gelegenheid om economische en culturele doeleinden, publieke en industriële belangen aan elkaar te koppelen ?

Zo zou de overheid in bepaalde gevallen [32]de besteding van gemeenschapsgelden zeker kunnen koppelen aan de eis om binnen de behoeften van een efficiënte bedrijfs lay-out bestaande waardevolle gebouwen of objecten maximaal te respecteren [33].

Zeker waar de Vlaamse Gemeenschap tussenkomt, moet dit via een
« industrieel-archeologisch » supersaldo haalbaar zijn.

Dit zou er op neer komen dat bedrijven die oud en nieuw op verantwoorde wijze willen integreren, op een extra-toelage beroep kunnen doen. Uiteindelijk komt wat wij voorstellen slechts neer op de aanpassing van een bestaand wettelijk kader en van het samenwerkingsverband tussen verschiilende bestaande administraties en de privé-sector.

9. De archiefwet : papier is niet zo gewillig...

Archieven zijn alle documenten die worden opgemaakt voor de werking van een instelling en in functie van haar taken.

Ook bedrijven worden als instelling beschouwd en... bezitten archieven
bij tonnenmaat.

De archiefwet van 24.6.1955 verplicht hen niet tot inlevering bij het
Rijksarchief.

Heel wat bedrijven verwaarlozen dan ook hun archieven met alle gevolgen van dien : vernieling, verdwijning ervan na stopzetting van het bedrijf of verspreiding.

Ook bestaat bij heel wat bedrijfsleiders wantrouwen tegen mogelijke onbescheiden speurneuzen, wat dan resulteert in weigerachtigheid ten aanzien van opname door het Rijksarchief of, in het beste geval, tot het uitzuiveren van de over te brengen stukken, zelfs van ogenschijnlijk onbenullige documenten [34].

Toch moeten mogelijke schenkers weten dat er bij contract voldoende waarborgen mogelijk zijn voor de vrijwaring van de « privacy ». Wij kunnen dus hopen dat hieraan en aan het archiefwezen in het algemeen méér ruchtbaarheid gegeven wordt.

In de veronderstelling echter dat nu alle bedrijven milde archiefschenkingen gaan doen, zullen zowel het personeelsbestand als de beschikbare ruimte gevoelig moeten toenemen.

[1On peut cependant considérer comme dignes d’étude et de conservation certains bâtiments administratifs particuliers, comme par exemple un bureau de postes.

[2Par exemple, et pour se limiter au domaine français :
E. Carles, Une soupe aux herbes sauvages, s.l., 1977 ; A. Sylvère, Toinou, le cri d’un enfant auvergnat, Paris, 1980 réécrit par J. Malourie. Dans un autre registre, M. Gray, Au nom de tous les miens, Paris, 1971 réécrit par Max Gallo ou P.J. Helias, Le Cheval d’orgueil, mémoires d’un Breton du pays bigouden, Paris, 1975.

[3cf. l’excellente introduction à la problématique de l’histoire orale de J.P. Rioux, Histoire orale : essor, problèmes et enjeux, dans Cahiers de Clio, 75-76, 1983, pp. 29-48, parue dans un numéro thématique consacré à l’histoire orale appliquée à l’enseignement ; R. Thompson, Historiens et histoire orale dans Mémoires collectives. Actes du Colloque d’octobre 1982, Bruxelles, 1984 pp. 281-295. Voir aussi l’exposé systématique de J. Poirier, S. Clapier-Valladon, P. Raybaut, Les récits de vie. Théorie et Pratique, Paris, 1983 ainsi que H. Gaus, B. De Graeve, F. Simon, A. Verbruggen-Aelterman, Alledaagsheid en mondelinge geschiedenis, Gent, 1983.

[4Citons ici quelques ouvrages-cadres pour l’interprétation de la mémoire orale : M. Halbweghs, Les cadres sociaux de la mémoire, Paris, 1975 (réed.) ; A. Leroy-Gourhan, Le geste et la parole, 2 vol. Paris, 1965 ; P. Bourdieu, Ce que parler veut dire, Paris 1982 R. Thompson, The voice of the past, Oxford, 1978. Voir aussi divers textes édités dans Mémoires Collectives, Actes ... op. cit. P. Charaudeau Langage et discours. Paris 1983.

[5Par exemple, en Belgique, les réalisations du laboratoire Paul Brien d’Etude de l’Environnement à Treignes (ULB) et du Musée de la Pierre à Maffle (cf. Mémoires collectives, op. cit., et Cahiers de Clio, op. cit.).

[6C. Billen, Le portrait du patron, texte présenté au Ve Congrès international d’histoire orale à Barcelone, 1985.
Voir aussi D. Voldman, Entretiens avec les reconstructeurs, Contribution à l’étude d’un groupe de décideurs (France 1940-1950), Documents du Congrès cité ci-dessus, pp. 497-504 ; A. Pinol, Transformation du travail et histoire orale. L’exemple de la rationalisation aux usines Berliet pendant l’entre-deux-guerres, 4e Colloque International d’histoire orale, Aix en Provence, 1982, pp. 507-519.

[7 Moniteur belge du 31 décembre 1980.

[8Moniteur belge du 15 août 1980.

[9Moniteur belge du 5 septembre 1931.

[10Moniteur belge du 10 septembre 1976.

[11 Arrêté du 7 août 1976.

[12Arrêté du 30 juin 1982.

[13Arrêté du 14 mars 1979.

[14Arrêté du 16 octobre 1975, avec extension le 7 juillet 1976.

[15 Arrêté du 17 avril 1980.

[16Arrêté du 24 mars 1978.

[17Arrêté du 1er juin 1978.

[18Arrêté du 7 novembre 1978.

[19 Arrêté du 13 octobre 1980.

[20Arrêté du 30 juin 1982.

[21Arrêté du 20 mai 1983.

[22Cet article doit beaucoup à celui qui a été publié par Mme Ghislaine De Bièvre, Directeur de l’Administration du Patrimoine culturel dans le n° 1 (4ème trimestre 1984) de Patrimoine Industriel (Bulletin trimestriel de l’A.S.B.L. « Patrimoine industriel Wallonie-Bruxelles ») pp 8-9, sous le titre « Activités de la Communauté française en matière d’archéologie industrielle ».

[23De wet van 7.8.1931 op he ! behoud van monumenten en landschappen bepaalde het behoud van wat in historisch, artistiek of wetenschappelijk opzicht van nationaal belang was. Het decreet van 1976 kadert in deze wet, die geldig blijft voor de Brusselse Agglomeratie en voor de bescherming van landschappen.

[24In 1972 wordt de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg (R.M.L.Z.) opgericht.
Deze dienst wordt operationeel vanaf 1973.
De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen - Nederlandstalige Sectie - stelt zich onmiddellijk positief op tegenover de industrieel-archeologische beschermingsvoorstellen van de R.M.L.Z. In 1983 wordt de R.M.L.Z. in de Vlaamse Administratie opgenomen onder de benaming : Bestuur Monumenten en Landschappen (B.M.L.). Het B.M.L. bezit een « afdeling industrieel erfgoed », opgericht in 1977.

[25Het industrieel erfgoed wordt systematisch opgenomen in de inventarissen « Bouwen door de eeuwen heen, in Vlaanderen », uitgegeven door het Ministerie van Cultuur.
Het samenstellen van gedetailleerde tematische inventarissen per bedrijfstak, zou echter de evaluatie van het industrieel erfgoed in hoge mate vergemakkelijken.

[26De subsidiëring gaat van 30/50 % (privé-initiatief) tot 60 % (overheidsinitiatief). Het Besluit van 30.3.83 bepaalt de erkennings- en betoelagingsmodaliteiten voor herwaarderingsgebieden.

[27De subsidiëring wordt geregeld door het « decreet houdende de bekrachtiging van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982 tot bepaling voor het Nederlandse taalgebied van de verdeling der kosten voor werken aan beschermde monumenten dd. 17.11.1982 ».

[28Besluit van de Vlaamse Executieve dd. 27.3.85 (ter vervanging van het Min. Besluit van 21.10.80).
Uitzonderlijk kan deze som tot 2.000.000 F opgetrokken worden.

[29Zie hierover : Witboek van het Cultureel Onroerend erfgoed, Koning Boudewijnstichting, Brussel 1981, pp. 37 e.v.

[30Wet van 29.3.1962 houdende organisatie van de Ruimtelijke Ordening.
- Koninklijk Sesluit betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen van 28.12.1972.

[31Zie hierover : Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming (ARAB), Titel I.

[32Deze gevallen kunnen bijvoorbeeld op advies van het Bestuur Monumenten en Landschappen worden aangeduid.

[33Hiervan bestaan er spontane voorbeelden zoals : SANTENS N.V., Watermolenweg 2-4 te Oudenaarde, gevestigd in een textielfabriek van rond 1900

[34Zie hierover J. Verhelst, De archiefwet en haar uitvoering, in : Monumenten en Landschappen, 2e jg. nr. 6 nov.-dec. 1983.

[35Over Europese regelingen kunnen wij het vooralsnog nog niet hebben. Dit valt buiten het bestek van dit artikel.
Wel willen wij verwijzen naar de regelingen in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling : bepaalde tewerkstellingsprojecten kunnen hiermee gesubsidieerd worden, wat voor het industrieel erfgoed een laterale steun kan betekenen. Waarom zouden aldus projecten, die oudere of ambachtelijke technieken op economische basis toepassen, niet kunnen gepromoveerd worden ?
Ook hiermee is de industriële archeologie uiteraard gebaat.

[36Comité d’Information et de Liaison pour l’Archéologie, l’Etude et la Mise en valeur du Patrimoine industriel, 48, rue Saint-Lambert, F-75015 Paris.

[37Voir ci-dessus : Jacques Liébin, Le patrimoine immobilier.

[38Bois-du-Luc 1685-1985, Ecomusée régional du Centre, La Louvière, 1985, 180 pages.

[39Rue de la Colonne, 1 à 1080 Bruxelles.

[40Au Bois-du-Luc, un Centre de Recherche en Fonderie a été installé dans l’ancienne fonderie du charbonnage.

[41
La rénovation des Carrés du Bois-du-Luc, malgré sa lenteur, nous paraît un bon exemple de réhabilitation d’un habitat ouvrier ancien (1838-1853).

[42Ecomusée de Fourmies-Trélon (France), rue François Deleplace, F-5910 Fourmies.

[43Linters A. ea. Industriële Archeologie-Renovaties, Gent 1985.

[44 Kidney W.C. Tamera Stichting vzw. mededelingsblad nr. 1 jrg. 1 p. 3-14, Hasselt 1974.

[45 Wissels R., Een industrieel-archeologisch museum te Hasselt in Hasselt tussen korrel en
borrel Hasselt, 1981, p. 79-84.

[46Kidney W.C. Working Places. The adaptive use of industrial buildings ; 1976.

[47 Kidney W.C. Historic preservation of engineering works, New York 1978.

[48Alfons Thijs, Industrial archaeology as a branch of the study of the history of material culture, some theoretical and methodological considerations, dans Revue Belge d’Histoire Contemporaine, t. VI, 1975, 1-2, pp. 145-157.
J. Pazdur, L’histoire de la culture matérielle en Pologne, dans Annales, Economies, Sociétés, Civilisations, t. 17, 1962, pp. 75-84.

[49J. Liébin, Le site industriel du Bois-du-Luc, base de l’Ecomusée régional du Centre, dans Bois-du-Luc 1685-1985, La Louvière, 1985, pp. 127-129 (la notion d’Ecomusée).

[50The Institute of Industrial Archaeology. Master’s and diploma courses, Ironbridge Gorge Museum, Ironbridge, Telford, Shropshire TF8 7AW, U.K,

[51T. O’Driscoll. Tourisme et patrimoine. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 3-4.
H. Behague. Itinéraires pour découvrir le patrimoine industriel. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 14-15.

[52 M. Kosters. Focus op toerisme. ’s Gravenhage, 1981, p. 4-13.

[53Ons industrieel erfgoed. Jaarboek Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie, dl 1, Gent, 1982, p. 28.



















info visites 185186

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française