9(1)suite

Met deze regeling worden niet enkel daken gedicht en goten hersteld maar kan ook de voorstudie van een grondige restauratie gesubsidieerd worden.

De spoedprocedure kan méér dan eens op eenzelfde monument toegepast worden : wanneer het gaat om werken die uitgevoerd worden aan afzonderlijke delen van een monument die een entiteit vormen of wanneer de werken van uiteenlopende aard zijn en het aangewezen is dat ze aan terzake gespecialiseerde aannemers worden toevertrouwd.

Het valt niet te betwijfelen dat reeds heel wat eigenaren van gerangschikte monumenten hier dankbaar gebruik hebben gemaakt.

Maar in het algemeen moet toch aangeklaagd worden dat de budgetten die voor monumentenzorg worden uitgetrokken te klein zijn. Dit is vreemd wanneer men bedenkt dat de vrij arbeidsintensieve restauraties uitstekende werkverschaffers zijn en méér dan 60% van de toegekende subsidies weer in de staatskas belanden [29].

6. Renoveren, al dan niet met herbestemming

Restauratie impliceert een bepaalde wijze van restaureren.

Een poging om dit nader te verklaren brengt ons tot de wijze waarop men bij renovatie industriële gebouwen met hun inboedel benadert. Renovatie is inderdaad een vlag die verschillende ladingen kan dekken.

Laten we enkele van deze « ladingen » even op een rijtje plaatsen.
- Renovatie als herbruik, ontmanteling tot ruwbouwconstructie en aanpassing.
Het betreft hier een onhistorische optie : het behoud van elementen met enige documentaire waarde op het industrieel-archeologisch vlak berust op louter toeval.
Het nieuwe uitzicht verdoezelt het verleden van het gebouw.
Een dergelijke aanpak heeft geen betekenis voor de kennis van ons industrieel verleden.
- Renovatie als herbruik, herstel en bescheiden aanpassing van het gebouw zonder voorafgaandelijke samenhangende architecturale conceptvorming.
a) Deze beperkte aanpak kan het gevolg zijn van een gebrek aan financiële middelen en/of gewoon van onverschilligheid.
Renovatie bestaat dan in het bij vb. herstellen van bedakingen, goten, ramen ...
Meestal gaat het hier over zeer tijdelijke vormen van herbestemming. Deze hebben wel het voordeel dat snel verval voor enige tijd wordt voorkomen en dat het uitzicht van het gebouw waarschijnlijk niet van zijn historische inhoud wordt ontdaan. De vraag stelt zich of we dan wel van « renovatie » mogen gewagen.
b) Wanneer de « bescheiden » benadering daarentegen wel van een voorafgaandelijk totaalconcept uitgaat, kunnen wij reeds spreken van :
- Renovatie als herbruik, herstel en aanpassing met het oog op herbestemming, met bewust behoud van materiële verwijzingen naar het verleden van het gebouw. De architecturale benadering van het gebouw gaat uit van conceptvorming, waarbij men nog bestaande elementen tot hun recht laat komen in combinatie met nieuwe elementen.
Hoofdzaak blijft de architecturale vertaling van een herbestemmingsprogramma waarbij bestaande (historische) elementen een functionele en/of decoratieve en/of historisch-verwijzende rol toebedeeld krijgen.
Het tonen van elementen met een documentaire waarde, t.a.v. het industrieel verleden van het gebouw, blijft secundair.
- Renovatie als restauratie
Met restaureren wordt dan bedoeld : het voorbereiden en uitvoeren van werken die tot doel hebben de culturele waarden, waaronder de documentaire, van een monument te behouden en/of te herstellen en/of te versterken.
In dit geval zal het herstel van het gebouw als historisch gegeven voorrang kennen boven de aanpassing ervan naar een secundaire bestemming toe.
Het herstel kan zich bvb. ook beperken tot het herstellen van dakgoten en het
aanbrengen van explicatieve aanwijzingen, m.a.w. men legt nadruk op de documentaire waarde via een « museale » ingreep.
Men kan ook aan nog in werking zijnde bedrijven, via bepaalde handelingen, een museale functie geven. « Restaureren » moet dan eerder in overdrachtelijke zin gezien worden als het plaatsen in hun historische kontekst van bepaalde industriële activiteiten, de goederen die hiervoor gebruikt worden en de arbeid die gepresteerd wordt.

Naargelang een bouwheer voor één van deze alternatieven kiest, zal hij in meerdere of mindere mate met de vigerende wetten geconfronteerd worden.

7. Gebruik en hergebruik van industriële gebouwen
als hinderlijke bedrijven en de Ruimtelijke Ordening

Het renoveren van al dan niet voormalige industriële vestigingen, kan niet zonder interferentie tussen de (her) bestemming en de planologische schikkingen van plannen van aanleg, hetzij het gewestplan, hetzij een Algemeen of Bijzonder plan van aanleg [30].

Inderdaad, wij kunnen ervan uitgaan dat een bedrijfsgebouw werd gepland met het oog op het specifiek, zuiver utilitair en functioneel gebruik ervan.

Bijgevolg zouden wij hieruit kunnen afleiden dat het, waar mogelijk, de voorkeur verdient om, in het kader van behoud, tevens de oorspronkelijke of aanverwante activiteiten in het gebouw onder te brengen. Stedebouwkundige voorschriften kunnen dit echter verbieden.

Met name de schikkingen van de plannen van aanleg zijn hier bepalend.
Zo kan door stadsuitbreiding, een onderneming in een woonzone op het gewestplan zijn komen te liggen.

De vergunning om bepaalde verbouwingen uit te voeren kan dan op grond hiervan geweigerd worden. Ook door toepassing van de wetgeving op de hinderlijke, ongezonde en gevaarlijke inrichtingen [31]kan de overheid weigeren de uitbatingsvergunning verder te verlengen. Wat de wetgeving op de ruimtelijke ordening aangaat, werd de wet van 29.3.1962 « houdende organisatie van de Ruimtelijke Ordening en de Stedebouw » met betrekking tot het Vlaamse Gewest behoorlijk wat versoepeld, dit via de uitvaardiging, van het decreet « houdende aanvulling van de wet van 29.3.1962 » (aangenomen door de Vlaamse Raad op 28.6.84).

[1On peut cependant considérer comme dignes d’étude et de conservation certains bâtiments administratifs particuliers, comme par exemple un bureau de postes.

[2Par exemple, et pour se limiter au domaine français :
E. Carles, Une soupe aux herbes sauvages, s.l., 1977 ; A. Sylvère, Toinou, le cri d’un enfant auvergnat, Paris, 1980 réécrit par J. Malourie. Dans un autre registre, M. Gray, Au nom de tous les miens, Paris, 1971 réécrit par Max Gallo ou P.J. Helias, Le Cheval d’orgueil, mémoires d’un Breton du pays bigouden, Paris, 1975.

[3cf. l’excellente introduction à la problématique de l’histoire orale de J.P. Rioux, Histoire orale : essor, problèmes et enjeux, dans Cahiers de Clio, 75-76, 1983, pp. 29-48, parue dans un numéro thématique consacré à l’histoire orale appliquée à l’enseignement ; R. Thompson, Historiens et histoire orale dans Mémoires collectives. Actes du Colloque d’octobre 1982, Bruxelles, 1984 pp. 281-295. Voir aussi l’exposé systématique de J. Poirier, S. Clapier-Valladon, P. Raybaut, Les récits de vie. Théorie et Pratique, Paris, 1983 ainsi que H. Gaus, B. De Graeve, F. Simon, A. Verbruggen-Aelterman, Alledaagsheid en mondelinge geschiedenis, Gent, 1983.

[4Citons ici quelques ouvrages-cadres pour l’interprétation de la mémoire orale : M. Halbweghs, Les cadres sociaux de la mémoire, Paris, 1975 (réed.) ; A. Leroy-Gourhan, Le geste et la parole, 2 vol. Paris, 1965 ; P. Bourdieu, Ce que parler veut dire, Paris 1982 R. Thompson, The voice of the past, Oxford, 1978. Voir aussi divers textes édités dans Mémoires Collectives, Actes ... op. cit. P. Charaudeau Langage et discours. Paris 1983.

[5Par exemple, en Belgique, les réalisations du laboratoire Paul Brien d’Etude de l’Environnement à Treignes (ULB) et du Musée de la Pierre à Maffle (cf. Mémoires collectives, op. cit., et Cahiers de Clio, op. cit.).

[6C. Billen, Le portrait du patron, texte présenté au Ve Congrès international d’histoire orale à Barcelone, 1985.
Voir aussi D. Voldman, Entretiens avec les reconstructeurs, Contribution à l’étude d’un groupe de décideurs (France 1940-1950), Documents du Congrès cité ci-dessus, pp. 497-504 ; A. Pinol, Transformation du travail et histoire orale. L’exemple de la rationalisation aux usines Berliet pendant l’entre-deux-guerres, 4e Colloque International d’histoire orale, Aix en Provence, 1982, pp. 507-519.

[7 Moniteur belge du 31 décembre 1980.

[8Moniteur belge du 15 août 1980.

[9Moniteur belge du 5 septembre 1931.

[10Moniteur belge du 10 septembre 1976.

[11 Arrêté du 7 août 1976.

[12Arrêté du 30 juin 1982.

[13Arrêté du 14 mars 1979.

[14Arrêté du 16 octobre 1975, avec extension le 7 juillet 1976.

[15 Arrêté du 17 avril 1980.

[16Arrêté du 24 mars 1978.

[17Arrêté du 1er juin 1978.

[18Arrêté du 7 novembre 1978.

[19 Arrêté du 13 octobre 1980.

[20Arrêté du 30 juin 1982.

[21Arrêté du 20 mai 1983.

[22Cet article doit beaucoup à celui qui a été publié par Mme Ghislaine De Bièvre, Directeur de l’Administration du Patrimoine culturel dans le n° 1 (4ème trimestre 1984) de Patrimoine Industriel (Bulletin trimestriel de l’A.S.B.L. « Patrimoine industriel Wallonie-Bruxelles ») pp 8-9, sous le titre « Activités de la Communauté française en matière d’archéologie industrielle ».

[23De wet van 7.8.1931 op he ! behoud van monumenten en landschappen bepaalde het behoud van wat in historisch, artistiek of wetenschappelijk opzicht van nationaal belang was. Het decreet van 1976 kadert in deze wet, die geldig blijft voor de Brusselse Agglomeratie en voor de bescherming van landschappen.

[24In 1972 wordt de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg (R.M.L.Z.) opgericht.
Deze dienst wordt operationeel vanaf 1973.
De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen - Nederlandstalige Sectie - stelt zich onmiddellijk positief op tegenover de industrieel-archeologische beschermingsvoorstellen van de R.M.L.Z. In 1983 wordt de R.M.L.Z. in de Vlaamse Administratie opgenomen onder de benaming : Bestuur Monumenten en Landschappen (B.M.L.). Het B.M.L. bezit een « afdeling industrieel erfgoed », opgericht in 1977.

[25Het industrieel erfgoed wordt systematisch opgenomen in de inventarissen « Bouwen door de eeuwen heen, in Vlaanderen », uitgegeven door het Ministerie van Cultuur.
Het samenstellen van gedetailleerde tematische inventarissen per bedrijfstak, zou echter de evaluatie van het industrieel erfgoed in hoge mate vergemakkelijken.

[26De subsidiëring gaat van 30/50 % (privé-initiatief) tot 60 % (overheidsinitiatief). Het Besluit van 30.3.83 bepaalt de erkennings- en betoelagingsmodaliteiten voor herwaarderingsgebieden.

[27De subsidiëring wordt geregeld door het « decreet houdende de bekrachtiging van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982 tot bepaling voor het Nederlandse taalgebied van de verdeling der kosten voor werken aan beschermde monumenten dd. 17.11.1982 ».

[28Besluit van de Vlaamse Executieve dd. 27.3.85 (ter vervanging van het Min. Besluit van 21.10.80).
Uitzonderlijk kan deze som tot 2.000.000 F opgetrokken worden.

[29Zie hierover : Witboek van het Cultureel Onroerend erfgoed, Koning Boudewijnstichting, Brussel 1981, pp. 37 e.v.

[30Wet van 29.3.1962 houdende organisatie van de Ruimtelijke Ordening.
- Koninklijk Sesluit betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen van 28.12.1972.

[31Zie hierover : Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming (ARAB), Titel I.

[32Deze gevallen kunnen bijvoorbeeld op advies van het Bestuur Monumenten en Landschappen worden aangeduid.

[33Hiervan bestaan er spontane voorbeelden zoals : SANTENS N.V., Watermolenweg 2-4 te Oudenaarde, gevestigd in een textielfabriek van rond 1900

[34Zie hierover J. Verhelst, De archiefwet en haar uitvoering, in : Monumenten en Landschappen, 2e jg. nr. 6 nov.-dec. 1983.

[35Over Europese regelingen kunnen wij het vooralsnog nog niet hebben. Dit valt buiten het bestek van dit artikel.
Wel willen wij verwijzen naar de regelingen in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling : bepaalde tewerkstellingsprojecten kunnen hiermee gesubsidieerd worden, wat voor het industrieel erfgoed een laterale steun kan betekenen. Waarom zouden aldus projecten, die oudere of ambachtelijke technieken op economische basis toepassen, niet kunnen gepromoveerd worden ?
Ook hiermee is de industriële archeologie uiteraard gebaat.

[36Comité d’Information et de Liaison pour l’Archéologie, l’Etude et la Mise en valeur du Patrimoine industriel, 48, rue Saint-Lambert, F-75015 Paris.

[37Voir ci-dessus : Jacques Liébin, Le patrimoine immobilier.

[38Bois-du-Luc 1685-1985, Ecomusée régional du Centre, La Louvière, 1985, 180 pages.

[39Rue de la Colonne, 1 à 1080 Bruxelles.

[40Au Bois-du-Luc, un Centre de Recherche en Fonderie a été installé dans l’ancienne fonderie du charbonnage.

[41
La rénovation des Carrés du Bois-du-Luc, malgré sa lenteur, nous paraît un bon exemple de réhabilitation d’un habitat ouvrier ancien (1838-1853).

[42Ecomusée de Fourmies-Trélon (France), rue François Deleplace, F-5910 Fourmies.

[43Linters A. ea. Industriële Archeologie-Renovaties, Gent 1985.

[44 Kidney W.C. Tamera Stichting vzw. mededelingsblad nr. 1 jrg. 1 p. 3-14, Hasselt 1974.

[45 Wissels R., Een industrieel-archeologisch museum te Hasselt in Hasselt tussen korrel en
borrel Hasselt, 1981, p. 79-84.

[46Kidney W.C. Working Places. The adaptive use of industrial buildings ; 1976.

[47 Kidney W.C. Historic preservation of engineering works, New York 1978.

[48Alfons Thijs, Industrial archaeology as a branch of the study of the history of material culture, some theoretical and methodological considerations, dans Revue Belge d’Histoire Contemporaine, t. VI, 1975, 1-2, pp. 145-157.
J. Pazdur, L’histoire de la culture matérielle en Pologne, dans Annales, Economies, Sociétés, Civilisations, t. 17, 1962, pp. 75-84.

[49J. Liébin, Le site industriel du Bois-du-Luc, base de l’Ecomusée régional du Centre, dans Bois-du-Luc 1685-1985, La Louvière, 1985, pp. 127-129 (la notion d’Ecomusée).

[50The Institute of Industrial Archaeology. Master’s and diploma courses, Ironbridge Gorge Museum, Ironbridge, Telford, Shropshire TF8 7AW, U.K,

[51T. O’Driscoll. Tourisme et patrimoine. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 3-4.
H. Behague. Itinéraires pour découvrir le patrimoine industriel. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 14-15.

[52 M. Kosters. Focus op toerisme. ’s Gravenhage, 1981, p. 4-13.

[53Ons industrieel erfgoed. Jaarboek Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie, dl 1, Gent, 1982, p. 28.



















info visites 172131

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française