9(1)suite

Daarentegen openen zich Interessante financiële perspectieven wanneer een gebied gerangschikt en terzelfdertijd als herwaarderingsgebied erkend wordt.

Hier speelt dan het Besluit van de Vlaamse Executieve dd. 30:3.83 [26] : ook de herwaardering van oude industriële of leegstaande handelsruimten komen voor subsidie in aanmerking.

3. Het roerend patrimonium

Een afzonderlijke vermelding verdient het « decreet houdende bescherming van het roerend cultureel patrimonium (Executievelijk Besluit van
17.11.1982) ; het betreft alle roerende voorwerpen of verzamelingen in privé-of in overheidsbezit, niet onroerend door bestemming ; die o.a. om reden van hun industrieel-archeologische waarde voor rangschikking in aanmerking komen.

Naast werktuigen en afgewerkte producten kunnen ook archieven in
principe op deze wijze, in situ, beveiligd worden.

In deze zin kunnen wij spreken van o.a. een aanvulling op de Archiefwet.

Het voormeld decreet werd echter nog niet toegepast.

Wel hoopt men binnenkort met de rangschikking van een aantal vaartuigen te kunnen starten.

Het mangelt echter nog aan de nodige uitvoerings- en procedurebesluiten.

Een pluspunt daarentegen is, dat Vlaamse Gemeenschap gedeelten van de St. Bernardusabdij te Hemiksem voor het opslaan van losse en onmogelijk in situ te bewaren industrieel-archeologische objecten ter beschikking heeft gesteld.

4. De evaluatie van het industrieel erfgoed :
basis voor een rangschikkingbeleid

Het rangschikken van industriële gebouwen, al dan niet van hun technische installaties ontdaan, impliceert evaluatie en selectie. Dit gebeurt door het B.M.L op basis van vergelijkend inventariswerk. Voorkeur genieten de zgn. volledige fabrieken.

Het betreft gehelen waarvan zowel gebouwen als de productieketens vanop industrieel-archeologisch standpunt positief geëvalueerd worden.

Helemaal interessant wordt het wanneer deze fabrieken, « ondanks » hun historische waarde, nog dagelijks in werking zijn.

Waar daarentegen enkel nog de gebouwen overblijven, moeten deze, om voor bescherming in aanmerking te komen, sprekende voorbeelden van bedrijfsarchitectuur zijn.

Bij de keuze van een te volgen beleid stelt zich algauw de vraag of nu alle waardevolle voorbeelden moeten gerangschikt worden. De ervaring heeft geleerd dat een strikt omlijnd antwoord, zowel in de maximalistische als in de minimalistische richting, wel eens tot een moeilijk vol te houden beleidskeuze zou kunnen leiden.

Bij het innemen van standpunten moet men dus ook rekening houden met verschillende variabelen zoals :
- op de eerste plaats : de relatieve industrieel-archeologische waarde ; voor de bepaling ervan is het noodzakelijk dat verschillende gelijkaardige artefacten met elkaar vergeleken worden.
Ingangen hierbij zijn : ouderdom, exemplarische waarde m.b.t. een bepaald aspect (bedrijfstak, productiemethode, eindproduct, behuizing, enz...) of m.b.t. een bepaalde voorbijgestreefde fase uit de technologische en/of socio-economische evolutie ; zeldzaamheid ; geografische ligging en zo meer ;
- de localisatie : het ligt voor de hand dat het behoud van een steenbakkerij in de Rupelstreek aan betekenis wint omdat de localisatie verwijst naar de belangrijke historische en socio-economische rol die de « Boomse steen », de « Boomse pannen » en de « Boomse tegels » in het dagelijks leven hebben gespeeld.
Dit mag echter niet uit het oog doen verliezen dat ook andere regio’s om hun baksteenproductie bekend stonden ;
- de schaal van het bedrijf(sgebouw) : hoe groter de schaal, hoe zwaarder de problematiek m.b.t. de (her)bestemming, het onderhoud, de financiële gevolgen... gaat doorwegen ;
- de toekomstperspectieven : bestaan er REËLE KANSEN dan na de rangschikking, het monument in kwestie ONDERHOUDEN, desgevallend GERENOVEERD wordt ?
Ook hier dringt zich de vergelijking tussen verschillende kandidaatmonumenten zich op.
Onoordeelkundige toepassing van de aspecten « schaal » en « toekomstperspectieven » kan echter een degelijk beleid, dat zich werkelijk bekommert om het behoud van een zo breed mogelijke waaier van waardevol industrieel erfgoed, doen ontsporen.
In het licht hiervan wordt ernaar gestreefd te voorkomen dat een tijdelijk gebrek aan perspectieven (financiële mogelijkheden, geïnteresseerde opdrachtgevers) tot bewijslast tegen het behoud (in casu rangschikking) van een monument wordt verheven.
Het statuut van wettelijk beschermd monument kan inderdaad positieve resultaten stimuleren, dit gezien de gunstige subsidieregeling. Dit sluit echter niet uit dat met zin voor realisme wordt tewerk gegaan.

5. Restaureren

Wij hadden het reeds over een gunstige subsidieregeling inzake de restauratie van gerangschikte monumenten.

Wanneer men het subsidiëringsbesluit (Vlaamse Executieve 1.7.1982) [27] bekijkt, valt op dat tot 90% (Vlaamse Gemeenschap, provincie, Gemeente) van de werken subsidieerbaar is.

Tevens bestaat er een regeling « spoedprocedure voor de subsidiëring van werken aan beschermde monumenten », waarbij de Vlaamse Gemeenschap tot een maximale som van 600.000 F bijdraagt [28].

Binnen een maand na de datum van de aanvraag kunnen de werken beginnen. De administratieve procedure volgt.

[1On peut cependant considérer comme dignes d’étude et de conservation certains bâtiments administratifs particuliers, comme par exemple un bureau de postes.

[2Par exemple, et pour se limiter au domaine français :
E. Carles, Une soupe aux herbes sauvages, s.l., 1977 ; A. Sylvère, Toinou, le cri d’un enfant auvergnat, Paris, 1980 réécrit par J. Malourie. Dans un autre registre, M. Gray, Au nom de tous les miens, Paris, 1971 réécrit par Max Gallo ou P.J. Helias, Le Cheval d’orgueil, mémoires d’un Breton du pays bigouden, Paris, 1975.

[3cf. l’excellente introduction à la problématique de l’histoire orale de J.P. Rioux, Histoire orale : essor, problèmes et enjeux, dans Cahiers de Clio, 75-76, 1983, pp. 29-48, parue dans un numéro thématique consacré à l’histoire orale appliquée à l’enseignement ; R. Thompson, Historiens et histoire orale dans Mémoires collectives. Actes du Colloque d’octobre 1982, Bruxelles, 1984 pp. 281-295. Voir aussi l’exposé systématique de J. Poirier, S. Clapier-Valladon, P. Raybaut, Les récits de vie. Théorie et Pratique, Paris, 1983 ainsi que H. Gaus, B. De Graeve, F. Simon, A. Verbruggen-Aelterman, Alledaagsheid en mondelinge geschiedenis, Gent, 1983.

[4Citons ici quelques ouvrages-cadres pour l’interprétation de la mémoire orale : M. Halbweghs, Les cadres sociaux de la mémoire, Paris, 1975 (réed.) ; A. Leroy-Gourhan, Le geste et la parole, 2 vol. Paris, 1965 ; P. Bourdieu, Ce que parler veut dire, Paris 1982 R. Thompson, The voice of the past, Oxford, 1978. Voir aussi divers textes édités dans Mémoires Collectives, Actes ... op. cit. P. Charaudeau Langage et discours. Paris 1983.

[5Par exemple, en Belgique, les réalisations du laboratoire Paul Brien d’Etude de l’Environnement à Treignes (ULB) et du Musée de la Pierre à Maffle (cf. Mémoires collectives, op. cit., et Cahiers de Clio, op. cit.).

[6C. Billen, Le portrait du patron, texte présenté au Ve Congrès international d’histoire orale à Barcelone, 1985.
Voir aussi D. Voldman, Entretiens avec les reconstructeurs, Contribution à l’étude d’un groupe de décideurs (France 1940-1950), Documents du Congrès cité ci-dessus, pp. 497-504 ; A. Pinol, Transformation du travail et histoire orale. L’exemple de la rationalisation aux usines Berliet pendant l’entre-deux-guerres, 4e Colloque International d’histoire orale, Aix en Provence, 1982, pp. 507-519.

[7 Moniteur belge du 31 décembre 1980.

[8Moniteur belge du 15 août 1980.

[9Moniteur belge du 5 septembre 1931.

[10Moniteur belge du 10 septembre 1976.

[11 Arrêté du 7 août 1976.

[12Arrêté du 30 juin 1982.

[13Arrêté du 14 mars 1979.

[14Arrêté du 16 octobre 1975, avec extension le 7 juillet 1976.

[15 Arrêté du 17 avril 1980.

[16Arrêté du 24 mars 1978.

[17Arrêté du 1er juin 1978.

[18Arrêté du 7 novembre 1978.

[19 Arrêté du 13 octobre 1980.

[20Arrêté du 30 juin 1982.

[21Arrêté du 20 mai 1983.

[22Cet article doit beaucoup à celui qui a été publié par Mme Ghislaine De Bièvre, Directeur de l’Administration du Patrimoine culturel dans le n° 1 (4ème trimestre 1984) de Patrimoine Industriel (Bulletin trimestriel de l’A.S.B.L. « Patrimoine industriel Wallonie-Bruxelles ») pp 8-9, sous le titre « Activités de la Communauté française en matière d’archéologie industrielle ».

[23De wet van 7.8.1931 op he ! behoud van monumenten en landschappen bepaalde het behoud van wat in historisch, artistiek of wetenschappelijk opzicht van nationaal belang was. Het decreet van 1976 kadert in deze wet, die geldig blijft voor de Brusselse Agglomeratie en voor de bescherming van landschappen.

[24In 1972 wordt de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg (R.M.L.Z.) opgericht.
Deze dienst wordt operationeel vanaf 1973.
De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen - Nederlandstalige Sectie - stelt zich onmiddellijk positief op tegenover de industrieel-archeologische beschermingsvoorstellen van de R.M.L.Z. In 1983 wordt de R.M.L.Z. in de Vlaamse Administratie opgenomen onder de benaming : Bestuur Monumenten en Landschappen (B.M.L.). Het B.M.L. bezit een « afdeling industrieel erfgoed », opgericht in 1977.

[25Het industrieel erfgoed wordt systematisch opgenomen in de inventarissen « Bouwen door de eeuwen heen, in Vlaanderen », uitgegeven door het Ministerie van Cultuur.
Het samenstellen van gedetailleerde tematische inventarissen per bedrijfstak, zou echter de evaluatie van het industrieel erfgoed in hoge mate vergemakkelijken.

[26De subsidiëring gaat van 30/50 % (privé-initiatief) tot 60 % (overheidsinitiatief). Het Besluit van 30.3.83 bepaalt de erkennings- en betoelagingsmodaliteiten voor herwaarderingsgebieden.

[27De subsidiëring wordt geregeld door het « decreet houdende de bekrachtiging van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 1 juli 1982 tot bepaling voor het Nederlandse taalgebied van de verdeling der kosten voor werken aan beschermde monumenten dd. 17.11.1982 ».

[28Besluit van de Vlaamse Executieve dd. 27.3.85 (ter vervanging van het Min. Besluit van 21.10.80).
Uitzonderlijk kan deze som tot 2.000.000 F opgetrokken worden.

[29Zie hierover : Witboek van het Cultureel Onroerend erfgoed, Koning Boudewijnstichting, Brussel 1981, pp. 37 e.v.

[30Wet van 29.3.1962 houdende organisatie van de Ruimtelijke Ordening.
- Koninklijk Sesluit betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen van 28.12.1972.

[31Zie hierover : Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming (ARAB), Titel I.

[32Deze gevallen kunnen bijvoorbeeld op advies van het Bestuur Monumenten en Landschappen worden aangeduid.

[33Hiervan bestaan er spontane voorbeelden zoals : SANTENS N.V., Watermolenweg 2-4 te Oudenaarde, gevestigd in een textielfabriek van rond 1900

[34Zie hierover J. Verhelst, De archiefwet en haar uitvoering, in : Monumenten en Landschappen, 2e jg. nr. 6 nov.-dec. 1983.

[35Over Europese regelingen kunnen wij het vooralsnog nog niet hebben. Dit valt buiten het bestek van dit artikel.
Wel willen wij verwijzen naar de regelingen in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling : bepaalde tewerkstellingsprojecten kunnen hiermee gesubsidieerd worden, wat voor het industrieel erfgoed een laterale steun kan betekenen. Waarom zouden aldus projecten, die oudere of ambachtelijke technieken op economische basis toepassen, niet kunnen gepromoveerd worden ?
Ook hiermee is de industriële archeologie uiteraard gebaat.

[36Comité d’Information et de Liaison pour l’Archéologie, l’Etude et la Mise en valeur du Patrimoine industriel, 48, rue Saint-Lambert, F-75015 Paris.

[37Voir ci-dessus : Jacques Liébin, Le patrimoine immobilier.

[38Bois-du-Luc 1685-1985, Ecomusée régional du Centre, La Louvière, 1985, 180 pages.

[39Rue de la Colonne, 1 à 1080 Bruxelles.

[40Au Bois-du-Luc, un Centre de Recherche en Fonderie a été installé dans l’ancienne fonderie du charbonnage.

[41
La rénovation des Carrés du Bois-du-Luc, malgré sa lenteur, nous paraît un bon exemple de réhabilitation d’un habitat ouvrier ancien (1838-1853).

[42Ecomusée de Fourmies-Trélon (France), rue François Deleplace, F-5910 Fourmies.

[43Linters A. ea. Industriële Archeologie-Renovaties, Gent 1985.

[44 Kidney W.C. Tamera Stichting vzw. mededelingsblad nr. 1 jrg. 1 p. 3-14, Hasselt 1974.

[45 Wissels R., Een industrieel-archeologisch museum te Hasselt in Hasselt tussen korrel en
borrel Hasselt, 1981, p. 79-84.

[46Kidney W.C. Working Places. The adaptive use of industrial buildings ; 1976.

[47 Kidney W.C. Historic preservation of engineering works, New York 1978.

[48Alfons Thijs, Industrial archaeology as a branch of the study of the history of material culture, some theoretical and methodological considerations, dans Revue Belge d’Histoire Contemporaine, t. VI, 1975, 1-2, pp. 145-157.
J. Pazdur, L’histoire de la culture matérielle en Pologne, dans Annales, Economies, Sociétés, Civilisations, t. 17, 1962, pp. 75-84.

[49J. Liébin, Le site industriel du Bois-du-Luc, base de l’Ecomusée régional du Centre, dans Bois-du-Luc 1685-1985, La Louvière, 1985, pp. 127-129 (la notion d’Ecomusée).

[50The Institute of Industrial Archaeology. Master’s and diploma courses, Ironbridge Gorge Museum, Ironbridge, Telford, Shropshire TF8 7AW, U.K,

[51T. O’Driscoll. Tourisme et patrimoine. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 3-4.
H. Behague. Itinéraires pour découvrir le patrimoine industriel. In Forum, Conseil d’Europe, n° 24, 1984, p. 14-15.

[52 M. Kosters. Focus op toerisme. ’s Gravenhage, 1981, p. 4-13.

[53Ons industrieel erfgoed. Jaarboek Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie, dl 1, Gent, 1982, p. 28.



















info visites 172131

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française