5(2)

Eerst treft men de steekkar in de molens aan. Gauw is ze niet
meer uitsluitend een « zolderwagentje » zoals men ze soms noemt. Ook
elders biedt ze haar diensten. Voor Knight is ze « de onmisbare helper
in pakhuizen, postkantoren, enz » (Knight, 1876-84). Naast steekkarren
voor pakhuizen, verkoopt de firma Chas. A. Strelinger & Co te Detroit er
ook met voile rubberen banden « die geen gerucht maken » voor hotels,
tapijt- en glaswinkels. (Chas. A. Sheliajer & Co. 1887 [6].

Afb. 4, 5

Men tracht de mogelijkheden van de steekkar te verruimen.
Men bouwt er pootjes op. Aldus kan het voertuig horizontaal gelegd worden, en eventueel als een gewone kruiwagen verreden worden. Daardoor wordt ook de veiligheid groter. Het been van de gevallen arbeider
kan immers niet meer door de kar verpletterd worden. Om de vracht te
kunnen opstapelen of op een wagen te laden, werd een zakheffer op de
steekkar gemonteerd. In 1874 geeft Knight er een duidelijke afbeelding
van (Knight, 1876 - 84). Men treft dat toestel hier en daar aan (b.v. Hegelbacher, 1917, of Daubry, zie afb. 5) en in enkele recente handelscatalogi wordt het opnieuw opgenomen. Het schijnt evenwel weinig sukses
gekend te hebben.

De ontwikkeling van de steekkar gaat dus geleidelijk voort. Enkele jaren geleden, versnelde ze plots. Men verbetert het voertuigje op
allerlei wijzen. Zijn afmetingen en vorm worden aan de goederen aangepast. Zo bestaan er bijzondere steekkarren voor hoge gasflessen, voor
tonnen, voor koffers, voor filmdozen, e.d.m. Het draagvermogen schommelt tussen 150 en 450 kg. Men houdt rekening met de werkomstandigheden en maakt er, naast hoge, ook lage en zelfs vouwbare, die gemakkelijk in een auto kunnen. Daarom ook wordt aluminium gebruikt. Dank
zij supplementaire wieltjes kan de steekkar over de band van een trottoir
of over een trap. De as is vaak gebogen, zodat minder kracht nodig is om
het voertuigje achteruit te trekken. De fabrikant schenkt tenslotte aandacht aan de veiligheid. Wanneer men de catalogus van een grote firma
raadpleegt, treft men nog allerlei andere vernuftige wijzigingen aan. De
toekomst zal ons leren of ze al dan niet voet krijgen.

[1 Steekkar uit Grimbergen (Museum voor de Oudere Technieken, inv. nr V. 80.18).

[2 Karretje uit Meise. Gebouwd om een lichte elektrische motor te verplaatsen voor een
beerpomp, een koekenbreker, e.d. (Museum voor de Oudere Technieken inv. nr. B. 81.3).
Zo’n motor werd ook vaak op een draagberrie bevestigd. Zie b.v. het eksemplaar van het
Museum voor de Oudere Technieken (inv. nr. V. 81.11).

[3 Benoit, 1863 : 2.869 merkt op « un ouvrier peut sans fatigue travailler sa pleine journée
à des transports faits à l’aide de cet engin ».

[4 Malouin, 1767. Ook de benamingen van de steekkar wijzen op een jonge ouderdom. In
vele talen heeft men zeer laat een bestaande term, die een ander voertuig aanduidde,
overgenomen. Merkwaardig is dat het Franse woord « brouette » dat oorspronkelijk naar
twee wielen zou verwijzen, maar in feite voor de kruiwagen, met één wiel dus, gebruikt
werd, tot in de 19de eeuw de naam van de steekkar was, en dus opnieuw een voertuig
met twee wielen aanduidde.

[5 Het eksemplaar dat door dezelfde auteur getekend werd op p. 1090, heb ik niet gezien,
maar men mag zich afvragen of het hier wel om een steekkar gaat. Het zou ook een karretje kunnen zijn, dat, al wordt het vertikaal gehouden om er de zak gemakkelijk op te krijgen, horizontaal verreden werd.

[6 In de catalogus van H. & G. Rose is er sprake van een gewone steekkar met wielen van
gietijzer, en van een « brouette (= steekkar) silencieuse ..., roues en caoutchouc ». Laatstgenoemde hebben als voordeel « de ne pas écraser les grains, de ne pas abîmer les parquets et de ne pas faire de bruit ».

[7 De oudste sporen van het bestaan van de snijpasser b.v. dateerden van de 18de eeuw.
Dankzij één miniatuur werd bewezen dat het werktuig reeds in de 16de eeuw bekend was.
(David 1980).

[8 A cette époque, la plupart des chercheurs de renom dans le domaine de la photographie
étaient principalement orientés vers les problèmes que posait la reproduction de l’image
par des procédés photomécaniques, comme l’héliogravure, la photolithographie et la
phototypie. Il est donc assez étonnant de constater le manque d’intérêt de Van Monckhoven à cet égard. Pour la 7e édition de son « Traité », il alla jusqu’à solliciter la collaboration du français Léon Vidal pour la rédaction de ce chapitre particulier.

[9 Ce prix fut porté plus tard à 3.000 francs, selon le catalogue publié à Gand en juin 1880.

[10 Selon toute vraisemblance, l’épouse de Van Monckhoven avait un lien de parenté avec
D. Tackels, également fabricant de plaques et papiers photographiques, établi à Gand. Il
est toutefois certain qu’après le décès de Van Monckhoven, son épouse continua avec
succès la gestion de la firme (Roosens, 1974).

[11 Il pourrait s’agir d’un second mariage, car certains indices nous font croire à l’existence
de deux enfants, un fils et une fille, lorsque Van Monckhoven était établi à Vienne

[12 Dans son catalogue, en date de juin 1880, la maison Van Monckhoven proposait aux photographes son émulsion sèche en paquets de 100 grammes au prix de 32 Frs. et également des plaques sèches prêtes à l’emploi à des prix variant de 4 à 60 Frs. la douzaine,
selon dimensions.



















info visites 170086

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française