4(4)

Zo’n vorm verdween schijnbaar sinds lang in onze streken.
Onze hoefstallen zijn kort en dragen achteraan twee (kromme) stangen,
zoals F. de Garsault (1741) en de Encyclopédie ze reeds voorstellen
(afb. 5) [6].
Het windas lijkt ook een latere verbetering te zijn. Het eerste
spoor dat ik er tot nog toe van gevonden heb, is een Duits fresco, vermoedelijk van ca 1500 (Brandt, 1927) (afb. 6). Aan een zijde eindigen de
horizontale onderste balken in twee bogen, die in de grond steken. Werd
het paard averechts voorgesteld en gaat het hier om een eerste stap
naar de latere kromme stangen ? Tot hiertoe krijgt deze vraag geen antwoord.

Afb. 4

Samenvattend mag men dus aannemen dat de hoefstal oorspronkelijk enkel een soort van kooi was, die het dier als het ware opsloot. De verdere evolutie, die niets aan het principe veranderde, was op
het einde van de middeleeuwen reeds ver gevorderd.

Afb. 5

Op de tweede gestelde vraag, namelijk hoe oud is de hoefstal,
volgt reeds een gedeeltelijk antwoord. Op grond van het aangehaalde
beeldmateriaal mag men immers aannemen dat het toestel in de 14de
eeuw gewoon was. Verscheidene teksten, zoals het reeds aangehaald
Livre des métiers, bevestigen dat. Wanneer Geoffrey Chaucer b.v. in zijn
Vertellingen van de pelgrims naar Kantelberg schrijft dat de jonge vrouw
van de timmerman als een veulen in de hoefstal sprong (Sheat, 1957),
dan gebruikt hij een beeld dat voor zijn tijdgenoten duidelijk was. In die
periode vindt men ook meermaals een toelating van eender travaelgen
voor zijn huis te stellene ter straeten
 [7].
In 1375 te Parijs betaalde de smid daarvoor twee goudfranken, en daarbij een jaarlijkse taks (Fagniez,
1877).

[1 Ook stravelje, strevalje, enz. (Ghijsen, 1968). De ontlening aan het Frans travail, dat nu nog de
hoefstal aanduidt, is niet jong. Het woord komt reeds voor in het Brugse Livre des métiers van
ca. 1340 : ende zegh den smet dat hi legghe / den perde de brake / eer hij ’tsteke / in de travaille
(Gessler, 1931).

[2 De hoefstal, afkomstig van I. Vermeren, « de smid van Lint » (Grimbergen), staat voorlopig
naast de Tommenmolen.

[3 Radcliff, 1819, plaat 5 en p. 218 : should the horse be extremely vicious indeed, he can be raised
from the ground in a minute, by means of a cradle-sling of strong girth web, hooked to the upper
side-rails, which, with a slight hand-spike, are turned in the blocks that support them (the extremities of the sling thereby coiling round them), till the horse is elevated to the proper height, and
rendered wholly powerless
.

[4 Oxford, Bodl. ms. 264, f° 107 en 124v°. Uitgegeven door M. R. James, The Romance of Alexander, Oxford, 1933.

[5 Parijs, B. N., ms. fr. 12.330 f° 214v°.

[6 Encyclopédie ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers ... mis en ordre et publié par D. Diderot Parijs, 1740-80, s.v. maréchal-ferrant. De verklaring luidt als volgt : 1) Anneau
servant à passer une corde lorsque l’on donne des breuvages aux chevaux. 2) Levier servant à
tourner la barre pour monter les soupentes. 3) Soupentes. 4) Doubles soupentes servant de poitrail
et de reculement pour maintenir le cheval dans le travail. 5) Soupentes servant de même. 6) Barres
de fer appelées main de travail, servant à lever les piés de derrière des chevaux, soit pour les ferrer
ou opérer. 7) Main de devant servant à lever les piés de devant, soit pour les ferrer ou pour les opérer. 8) Coussinet placé en-dedans du travail, de peur que les chevaux ne s’estropient. 9) Anneau
donnant attache aux plates-longes avec lesquelles on lève les pieds des chevaux. Wellicht staat
stuk 1 aan de verkeerde zijde. Het ziet er immers handiger uit het aan de voorkant te bevestigen. Of was het de gewoonte het paard langs beide zijden binnen te laten, zoals de Garsault
(op. cit.) het schrijft : doordat de gaten van dezelfde grootte waren, konden de pennen van de
losse stukken zowel voor- als achteraan in de stijlen gestoken worden.

[7 Domaniaal rentenboek van het land van Dendermonde, ca. 1350, aangehaald door Lindemans
(1952).

[8 Vriendelijk meegedeeld door de heer J. Creasey, bibliothecaris van het Museum of English Rural Life te Reading, die de hoefstal als « betrekkelijk ongewoon » beschouwt. In hun A handbook of horsesshoeing (Edinburgh, 1898) beschrijven J. N. O. A. W. Dollar en A. Wheatley een hoefstal voor runderen. Ze steunen evenwel veel op buitenlandse boeken, zodat hun werk niet als argument aangevoerd kan worden. Ik dank de heer E. Scourfield, conservator van het Welsh Folk
Museum te Cardiff, die me de verwijzing van het boek en fotocopieën bezorgde.



















info visites 172500

     COCOF
                      Avec le soutien de la Commission
                           communautaire française