de Wetenschap begrijpen dankzij Kunst en Geschiedenis

De armillairsfeer

De armillairsfeer

G. Arscenius, Leuven, 1575, inv. 8948
Diam. 20 cm
© KMKG - Koninklijke Musea voor Kunsten en Geschiedenis

Portfolio

  • De armillairsfeer

Wie? :

Wie de uitvinder van de armillairsfeer was, weet men niet precies.

De armillairsfeer bestond reeds in het oude Griekenland, wellicht reeds ten tijde van Plato (V de-IV de eeuw vóór JC). Het is in elk geval het geocentrisch model van Claudius Ptolemaeus (v. 90-v. 168) dat aan de basis ligt van de armillairsfeer zoals wij die kennen.

Waneer? :

De sfeer die verband houdt met het geocentrisch model van Ptolemaeus zal worden gebruikt vanaf de Oudheid tot de XVIII de eeuw. Later zal men nog armillairsferen gebruiken die voldoen aan het heliocentrisch model, maar eerder voor pedagogische doeleinden.

Evolutie :

In het begin lijkt het alsof de armillairsferen vast waren en geen horizontaal vlak hadden. Later rustten de geleerden de sferen uit met bijkomende ringen (armilles), vast of mobiel, om de horizon voor te stellen en de banen van de planeten.
Tijdens de XVI de eeuw bevond een van de ateliers met de gekendste wetenschappelijke instrumenten zich in Leuven. Inderdaad, omstreeks 1530 onderwijst Gemma Frisius (1508-1555) geneeskunde en anatomie in Leuven. Geboeid door wiskunde en sterrenkunde richt hij zijn eigen school op en gaat hij die materie onderwijzen, en hij richt ook een atelier op voor wetenschappelijke precisie-instrumenten. Aan het hoofd van dit atelier staat Gerard Mercator, gevolgd door Gauthier Arsenius, de neef van Gemma Frisius. Zodoende werd de armillairsfeer herwerkt, beschreven en voorgesteld door Gauthier Arsenius.
Ondertussen ontwikkelt Nicolaas Copernicus (1473-1543) het heliocentrisch systeem (waarbij de zon centraal in het heelal wordt geplaatst). Dit systeem wordt niet aanvaard door de kerk, en de theorie van de geocentrische leer (die de aarde situeert in het centrum van het heelal) van Ptolemaeus zal verder worden onderwezen tot in de XVIII de eeuw. Vanaf dat ogenblik gaat de sfeer over naar het heliocentrisch model en verliest het zijn eigenschap van observatie-instrument voor de geleerde, maar het blijft gebruikt worden om de sterrenkunde te bestuderen en te onderwijzen bijvoorbeeld.

Waarom? :

De armillairsfeer dient in de eerste plaats om de wereld en het heelal voor te stellen en om te bestuderen wat er zich rond de aarde bevindt. De armillairsfeer wordt over het algemeen gekocht en gebruikt door edellieden die de middelen hebben om een dergelijk instrument te kopen. Maar de armillairsfeer is ook een meetinstrument, je kan er namelijk mee meten op welk uur de zon opkomt bijvoorbeeld. De armillairsfeer biedt ook de mogelijkheid om het uur te bepalen en ook bij benadering de richting van een ster wanneer die is uitgerust met een kompas en wanneer de meridianen en de evenaar parallel geplaatst zijn op de ‘reële’ cirkels.

Hoe? :

Volgens de geocentrische visie van Ptolemaeus bestond de armillairsfeer uit een reeks van ringen genaamd ‘armilles’ en er waren nog andere elementen tot in de XVI de eeuw zoals:
1. De aarde bevindt zich in het centrum van het heelal;
2. De zon (en de andere sterren zoals de maan en de sterren) draait rond de aarde in 24 u en bevindt zich op de hemelbol;
3. De lokale horizon die vast is;
4. De hemelevenaar die de verlenging is op het hemelgewelf van de aardevenaar;
5. De ring die zich verticaal aan de lokale horizon bevindt, onderverdeeld in graden, laat toe om de hoogtehoeken te meten en stemt overeen met de lokale meridiaan;
6. De cirkel van de ecliptica   [glossarium: vanuit geocentrisch standpunt is de ecliptica   de grote cirkel op de hemelsfeer die de jaarbaan van de zon gezien vanop de aarde weergeeft.]
7. De coluur van de equinoxen verloopt via de polen.

Werken :
Referencies :
  • DE LA COTARDIERE Ph. et FERLET R., Le grand livre du ciel: comprendre l’astronomie du 21e siècle, Créteil, Ed. Bordas, 1999, p.123-126.
  • DUTARTE Philippe, Les instruments de l’astronomie ancienne de l’Antiquité à la Renaissance, Paris, 2006.
  • Le grand atlas de l’espace, Paris, Ed. Encyclopaedia Universalis, 1987, p.468.
  • Les Antiquités, Paris,1999, p.22,70,268,416.
  • Les grands voyageurs, Paris, 1988.
  • MICHEL H., Images des sciences: les anciens instruments scientifiques vus par les artistes de leur temps, Belgique, 1977.
  • MICHEL H., Les instruments de sciences dans l’art et dans l’histoire, Belgique, 1977, p.17,42-43.